De provincie Flevoland had ontheffing verleend voor het doden van edelherten tot een doelstand van vijfhonderd in de Oostvaardersplassen in de periode van januari 2024 tot en met december 2028.

De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3439overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat een populatie van 500 edelherten in de Oostvaardersplassen voldoende genetisch divers zou zijn.
Het herstelbesluit dat vervolgens is genomen, en dat het voorschrift bevat dat wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd moet worden, voldoet evenmin aan de voorwaarde van art. 3.10, eerste lid, aanhef onder a, van de Wnb, in combinatie met art 3.10, tweede lid en art 3.8, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Wnb. Hierin is bepaald dat voor het doden van edelherten slechts ontheffing kan worden verleend, als er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Voorop staat dat het op het moment van de verlening van de ontheffing duidelijk moet zijn dat aan het genoemde vereiste wordt voldaan. Het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek naar de gevolgen van het afschot tot een doelstand van 500 voor de genetische diversiteit van de populatie edelherten in de Oostvaardersplassen moet dus worden gedaan voordat de ontheffing wordt verleend, aldus de Afdeling. De beoordeling of aan dat vereiste wordt voldaan mag niet afhangen van toekomstige en om die reden ook ten tijde van de besluitvorming onzekere resultaten van een onderzoek naar de genetische diversiteit nadat het afschot al is aangevangen. De ontheffing wordt vernietigd.
AbRvS 11 februari 2026 ECLI:NL:RVS:2026:766