ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2727. Appellant woont in de buurt van een voetbalkooi op de Valreep in Groningen. appellant heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen geluidshinder van de voetbalkooi. Hij heeft o.a. ook aangevoerd dat het college ook rekening had moeten houden met perioden waarin voetbaltoernooien op de televisie plaatsvinden waardoor kinderen geïnspireerd raken om meer te voetballen.

Dat het college met de keuze van het moment van de geluidsmetingen volgens appellant geen rekening heeft gehouden met het weer, de schoolvakanties of voetbaltoernooien, leidt ook niet tot het oordeel dat het college de geluidsmetingen niet heeft mogen uitvoeren in april. Zoals het college namelijk in de schriftelijke uiteenzetting heeft toegelicht, is het moment waarop de metingen zijn uitgevoerd met appellant afgestemd. De juridisch medewerker van het college heeft hem daarbij gevraagd of hij een voorkeur had voor een bepaalde periode. Appellant heeft toen aangegeven dat hij wilde dat de geluidsmeter zo snel mogelijk zou worden geplaatst. Als hij had gewild dat het college ook rekening zou houden met omstandigheden zoals het weer, de schoolvakanties of voetbaltoernooien, had hij daar op dat moment om kunnen vragen. Dat heeft hij echter niet gedaan, ook niet nadat de juridisch medewerker van het college had voorgesteld om de metingen in de zomermaanden uit te voeren vanwege de geluidshinder bij mooi weer. Daarnaast blijkt uit het door appellant in de bezwaarprocedure ingediende overzicht van zijn meldingen dat hij gedurende het grootste deel van het jaar, waaronder in april, overlast ervaart van de voetbalkooi. Ook heeft hij aangegeven dat hij tijdens de meetperiode overlast heeft ervaren. Anders dan appellant betoogt, geeft wat hij hierover heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de metingen in april geen representatief beeld geven van de overlast die hij gedurende het gehele jaar ervaart. Het enkele feit dat kinderen in andere perioden van het jaar, bijvoorbeeld tijdens grote internationale voetbaltoernooien, meer geïnspireerd zijn om te voetballen, is onvoldoende voor het oordeel dat metingen in april geen representatief beeld opleveren. Het college mocht daarom de geluidsmeting in april uitvoeren om de door appellant gestelde overlast te onderzoeken.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Appellant woont in de buurt van een voetbalkooi op de Valreep in Groningen. appellant heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen geluidshinder van de voetbalkooi. Bij besluit van 12 mei 2022 heeft het college het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen geluidshinder veroorzaakt door het gebruik van de voetbalkooi aan de Valreep in Groningen, afgewezen.
De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep aan de orde, geoordeeld dat het college het besluit heeft mogen baseren op het rapport en mocht uitgaan van de juistheid van het rapport. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat uit het rapport blijkt dat de geluidmeter tijdens de gehele meetperiode, van 8 tot en met 13 april 2022, aan de achtergevel van de woning is bevestigd, en dat daarbij continue metingen zijn verricht. Verder blijkt uit het rapport dat aan appellant is gevraagd te noteren op welke tijdstippen hij overlast ervaarde, en dat die tijdstippen in het rapport extra zijn belicht. Ook is het rapport aangevuld met andere momenten waarop piekgeluiden vanuit de voetbalkooi plaatsvonden. Volgens de rechtbank is het rapport daarmee op zorgvuldige wijze tot stand gekomen.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college terecht heeft geconcludeerd dat er geen sprake is geweest van een overtreding van artikel 4:5 van de APVG 2021, omdat er slechts twee geringe overschrijdingen van de grenswaarden zijn geweest in een periode van zes dagen. Dat waren kortdurende piekgeluiden als gevolg van schreeuwende kinderen. Daarbij heeft zij betrokken dat er negen fysieke controles zijn uitgevoerd in de avond en nachtelijke uren waarbij slechts éénmaal jongeren in de voetbalkooi zijn aangetroffen.
Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college mocht uitgaan van de juistheid van het rapport. Daarover voert hij aan dat het rapport niet is gebaseerd op metingen die over zes dagen zijn uitgevoerd, maar beperkt is gebleven tot geluidsfragmenten. Daardoor is slechts op twee momenten een overschrijding van de grenswaarden geconstateerd, en kan niet worden uitgesloten dat er op veel meer momenten de grenswaarden worden overschreden. Volgens appellant is de rechtbank er verder aan voorbijgegaan dat er een langere meetperiode had moeten worden gehanteerd om tot een zorgvuldig rapport te komen, en dat daarbij ook rekening had moeten worden gehouden met andere factoren, zoals de tijd van het jaar en het weer. In de schoolvakanties wordt het geluidsniveau namelijk vaker overschreden dan in de zes dagen in april waarin de metingen hebben plaatsgevonden, en als het tijdens de meetperiode regent, wordt minder gebruik gemaakt van de voetbalkooi. Ook had het college rekening moeten houden met perioden waarin voetbaltoernooien op de televisie plaatsvinden waardoor kinderen geïnspireerd raken om meer te voetballen. In dit kader voert appellant verder aan dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om een onafhankelijke deskundige aan te wijzen heeft afgewezen. Volgens appellant is het huidige onderzoek namelijk te mager voor de conclusie dat geen sprake is van een structurele overschrijding van de maximale geluidsniveaus te dragen, en moet er een nieuw actueel rapport worden opgesteld over de huidige situatie. Het rapport is al meer dan twee jaar oud, en kan volgens appellant alleen al daarom niet meer als basis dienen voor de besluitvorming.
Appellant verwijt de rechtbank ten onrechte dat zij eraan voorbij is gegaan dat bij het onderzoek rekening had moeten worden gehouden met factoren als het weer en de schoolvakanties. Hij heeft dit in beroep immers niet aangevoerd. Dat het college met de keuze van het moment van de geluidsmetingen volgens appellant geen rekening heeft gehouden met het weer, de schoolvakanties of voetbaltoernooien, leidt ook niet tot het oordeel dat het college de geluidsmetingen niet heeft mogen uitvoeren in april. Zoals het college namelijk in de schriftelijke uiteenzetting heeft toegelicht, is het moment waarop de metingen zijn uitgevoerd met appellant afgestemd. De juridisch medewerker van het college heeft hem daarbij gevraagd of hij een voorkeur had voor een bepaalde periode. appellant heeft toen aangegeven dat hij wilde dat de geluidsmeter zo snel mogelijk zou worden geplaatst. Als hij had gewild dat het college ook rekening zou houden met omstandigheden zoals het weer, de schoolvakanties of voetbaltoernooien, had hij daar op dat moment om kunnen vragen. Dat heeft hij echter niet gedaan, ook niet nadat de juridisch medewerker van het college had voorgesteld om de metingen in de zomermaanden uit te voeren vanwege de geluidshinder bij mooi weer. Daarnaast blijkt uit het door appellant in de bezwaarprocedure ingediende overzicht van zijn meldingen dat hij gedurende het grootste deel van het jaar, waaronder in april, overlast ervaart van de voetbalkooi. Ook heeft hij aangegeven dat hij tijdens de meetperiode overlast heeft ervaren. Anders dan appellant betoogt, geeft wat hij hierover heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de metingen in april geen representatief beeld geven van de overlast die hij gedurende het gehele jaar ervaart. Het enkele feit dat kinderen in andere perioden van het jaar, bijvoorbeeld tijdens grote internationale voetbaltoernooien, meer geïnspireerd zijn om te voetballen, is onvoldoende voor het oordeel dat metingen in april geen representatief beeld opleveren. Het college mocht daarom de geluidsmeting in april uitvoeren om de door appellant gestelde overlast te onderzoeken.
Het betoog slaagt niet.