Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Handhavend optreden tegen illegale plaatsing woonwagen niet onevenredig in licht van EVRM en Algemene wet gelijke behandeling 

Uit de Afdelingsuitspraak van 8 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1951) volgt dat de inmenging in het art. 8, eerste lid, EVRM beschermde woonrecht en de beweerdelijke inbreuk op het discriminatieverbod van art. 7a Algemene wet gelijke behandeling (“Awgb”) geen omstandigheden vormen die nopen tot het afzien van handhavend optreden tegen een zonder de vereiste omgevingsvergunning geplaatste woonwagen.

14 April 2026

Het college had aan appellant, nadat deze ondanks een waarschuwing toch een aanvang had gemaakt met het in twee etappes plaatsen van de woonwagen, een bouwstop in combinatie met een last onder dwangsom opgelegd. In hoger beroep stelt appellant dat het college daarmee handelt in strijd is met het recht op bescherming van zijn privé- en gezinsleven (in de zin van art. 8 EVRM) en het discriminatieverbod van art. 7a Awgb. De Afdeling gaat na of de gestelde schendingen omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het college daarin, gelet op het evenredigheidsbeginsel, aanleiding had moeten zien om af te zien van handhaving. De Afdeling overweegt dat inmenging in een van de in art. 8, eerste lid, van het EVRM beschermde rechten op grond van het tweede lid gerechtvaardigd is, als deze bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van een of meer in dit lid genoemde legitieme doelen. In dat kader moet een evenwichtige afweging hebben plaatsgevonden tussen de belangen van het individu enerzijds en die van de gemeenschap als geheel anderzijds. Voor zover de bouwstop en de last onder dwangsom kunnen worden aangemerkt als een dergelijke inmenging, is deze inmenging volgens de Afdeling bij wet voorzien (vgl. de Afdelingsuitspraak van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1484) en noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land (vgl. de Afdelingsuitspraak van 8 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1904). Daargelaten de vraag of artikel 7a Awgb op deze situatie van toepassing is, staat ook dit artikel er naar het oordeel van de Afdeling niet aan in de weg dat het college mocht overgaan tot handhaving. Dit alleen al, omdat het handhavende optreden is gebaseerd op de omstandigheid dat het plaatsen van een woonwagen op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan dat voor een ieder geldt.

Artikel delen