Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Handhaving geboden ondanks concreet zicht op legalisatie

Deze uitspraak betreft een langdurig geschil tussen een eendenslachterij, een omwonende en het college van burgemeester en wethouders van Ermelo. Appellante heeft in 2018 een verzoek om handhaving ingediend vanwege ervaren geur- en geluidsoverlast afkomstig van de slachterij. Het college had dit verzoek in eerste instantie toegewezen en aan de eendenslachterij een last onder dwangsom opgelegd. In bezwaar heeft het college dit besluit herroepen en het verzoek alsnog afgewezen.

22 April 2026

Dat besluit is door de rechtbank vernietigd en aan het college is opgedragen om een nieuw besluit te nemen. Vervolgens heeft het college het bezwaar alsnog deels gegrond verklaard en zes lasten onder dwangsom opgelegd aan de eendenslachterij. Tegen dit besluit komen zowel appellante als de eendenslachterij op. Van belang voor deze blog is het beroep van de eendenslachterij tegen last 5. Met die last werd de eendenslachterij om “de werktijden uit de milieuvergunning uit 2002, herzien in 2006, na te leven”.

Tussen partijen is niet in geschil dat de eendenslachterij zich niet aan de vergunde werktijden houdt. Echter, in de ontwerp-omgevingsvergunning die op 30 oktober 2019 ter inzage is gelegd zijn veel ruimere werktijden opgenomen, waardoor de eendenslachterij niet meer in overtreding zal zijn. Zij voert dan ook aan dat sprake is van concreet zicht op legalisatie.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 23 maart 2022 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2022:800) overweegt zij dat het bevoegd gezag bij concreet zicht op legalisatie niet zonder meer verplicht is om af te zien van handhavend optreden. In dat geval zal het bevoegd gezag nog steeds een afweging moeten maken tussen alle betrokken belangen, waarbij het bevoegd gezag rekening zal moeten houden met de omstandigheden van het concrete geval.

In dit geval mocht het college ondanks concreet zicht op legalisatie een last onder dwangsom opleggen. Het college mocht het belang van appellante (de omwonende) laten prevaleren boven het belang van de eendenslachterij. De reden daarvan was dat de omwonende als gevolg van de illegale activiteiten jaren overlast had. In het bijzonder heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat de eendenslachterij er zelf voor heeft gekozen om zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning haar bedrijfsactiviteiten uit te breiden en dat zij daarvan ook jarenlang heeft geprofiteerd. Daarbij komt dat eendenslachterij de overtreding van de vergunde werktijden en verkeersbewegingen onverminderd heeft voortgezet, terwijl zij er na de eerste, maar zeker na de tweede uitspraak van de rechtbank rekening mee had moeten houden dat de handhavingsprocedure mogelijk niet in haar voordeel zou uitvallen, aldus de Afdeling.

Saillant detail is dat dezelfde ontwerp-omgevingsvergunning wel concreet zicht op legalisatie met zich bracht waardoor niet handhavend werd opgetreden ten aanzien van handelen in strijd met het bestemmingsplan. Dat zag op het aanleggen van een ondergrondse gasleiding en een bovengronds gasstation zonder omgevingsvergunning.

In deze uitspraak bevestigt de Afdeling dat concreet zicht op legalisatie niet automatisch met zich brengt dat van handhavend optreden afgezien moet worden. Er kunnen omstandigheden zijn dat handhaving toch geboden is. In deze uitspraak en de uitspraak uit 2022 waarin dat het geval was, was sprake van ernstige hinder door omwonenden door de illegale handelingen. Een conclusie die getrokken kan worden is dat overlast voor derden van doorslaggevend belang kan zijn om toch handhavend op te treden terwijl sprake is van concreet zicht op legalisatie.