Uit de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 23 februari 2026 (ECLI:NL:RBAMS:2026:1950) volgt dat het college ervoor mocht kiezen om de geconstateerde overtreding van de gebruiksregels van het tijdelijke omgevingsplan te sanctioneren met een last onder bestuursdwang.

Het college had de exploitant van twee winkels daarmee gelast om het gebruik van diens panden als headshop binnen zes weken te staken en gestaakt te houden, op straffe van sluiting van het betreffende pand. Omdat bij een hercontrole na ommekomst van de begunstigingstermijn bleek dat in één van beide panden nog headshopproducten aanwezig waren, heeft het college het winkelpand daags erop alsnog gesloten. In beroep betwist de exploitant de evenredigheid van de opgelegde en geëffectueerde sanctie: niet alleen heeft de feitelijke sluiting van de winkel voor hem vergaande (financiële) gevolgen; ook zou een last onder dwangsom passender zijn geweest en veel minder verstrekkende gevolgen hebben. De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure de oplegging van de last onder bestuursdwang ter beoordeling voorligt en niet de uitvoering van die last. De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan een ruime mate van vrijheid heeft om te kiezen voor een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang (vgl. de Afdelingsuitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4142). Uit vaste rechtspraak volgt bovendien dat de keuze van het bestuursorgaan voor een last onder bestuursdwang in plaats van een last onder dwangsom in beginsel niet afzonderlijk hoeft te worden gemotiveerd (vgl. de Afdelingsuitspraak van 5 augustus 2009, ECLI:NL:2009:BJ4622), al volgt de rechtbank het door het college ingenomen standpunt dat het handhaven van een overtreding als deze vanwege de ruimtelijke impact ervan een hoge prioriteit heeft en bestuursdwang effectiever is. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor de overtreder in beginsel geen grond voor het oordeel dat dit optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het bestuursorgaan daarvan om die reden behoorde af te zien (vgl. de Afdelingsuitspraken van 6 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7708 en 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4249). Dat de exploitant van de last onder bestuursdwang financiële schade ondervindt en een last onder dwangsom minder ingrijpend zou zijn is maakt dit volgens de rechtbank niet anders.