Op 15 april 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht een nulstandsbeleid voor wilde zwijnen mag hanteren en ter uitvoering daarvan een ontheffing kan verlenen voor het doden van wilde zwijnen. De Afdeling overweegt dat GS voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het afschot van de wilde zwijnen noodzakelijk is voor schadebestrijding, verkeersveiligheid en voor het voorkomen of bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren. Ter onderbouwing daarvan mocht GS gebruikmaken van schadegegevens en ervaringen uit andere provincies met vergelijkbare situaties. De uitspraak is weliswaar gewezen onder het oude recht (de Wet natuurbescherming), maar lijkt ons onverminderd relevant in het systeem van de Omgevingswet.

In het faunabeheerplan van de provincie Utrecht is opgenomen dat voor wilde zwijnen een nulstand wordt nagestreefd. Met het oog op schadebestrijding, verkeersveiligheid en het voorkomen of bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren, heeft de Faunabeheereenheid een ontheffing aangevraagd voor het afschot van wilde zwijnen. Voor de duur van het faunabeheerplan heeft GS een ontheffing verleend voor jaarrond afschot van wilde zwijnen in de provincie. Tegen dit besluit hebben Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life beroep ingesteld. De rechtbank oordeelde dat uit de door GS gebruikte schadegegevens van andere provincies niet aannemelijk is dat het nulstandbeleid – en daarmee de ontheffing – noodzakelijk is voor schadebestrijding, verkeersveiligheid en ter voorkoming van onnodig dierenleed. De rechtbank verklaarde daarom het ingestelde beroep gegrond.
Op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wnb geldt een verbod om wilde zwijnen in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Dit is een aanvullend regime voor nationaal beschermde dieren die niet onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Het tweede artikellid bepaalt dat de uitzonderingsgrond van artikel 3.8 van de Wnb, met uitzondering van het derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing is. Dit betekent dat een ontheffing uitsluitend worden verleend indien wordt voldaan aan de voorwaarden opgenomen in artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb, namelijk:
Voorwaarden ontheffing
Deze voorwaarden moeten worden geïnterpreteerd in het licht van de Habitatrichtlijn (‘Hrl’). De Afdeling verwijst in dit verband ter vergelijking naar haar uitspraak van 7 juli 2021 (ABRvS 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1457). Het begrip ‘ernstige schade’ moet worden uitgelegd in het kader van artikel 16, eerste lid, onder b, van de Hrl. Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt niet dat is vereist dat voorafgaand aan de vaststelling van de afwijkende maatregelen ernstige schade is veroorzaakt (zie HvJ EU 14 juni 2007, EU:C:2007:341, punt 40). Voldoende is dat het zeer waarschijnlijk is dat de schade zal voordoen. De Afdeling is van oordeel dat GS een concrete dreiging van ernstige schade aannemelijk mag maken door te verwijzen naar opgetreden schade in vergelijkbare situaties. Van GS kan niet worden gevergd dat zij het ontstaan van de schade afwacht. Evenmin kan worden verwacht dat zij louter theoretisch schadeonderzoek verricht, indien relevante schadegegevens uit andere delen van Nederland beschikbaar zijn. De ontheffing wordt immers op voorhand verleend om ernstige schade te voorkomen.
Naar het oordeel van de Afdeling is een nulbestandbeleid voor wilde zwijnen buiten de aangewezen leefgebieden op zichzelf niet in strijd met de Wnb. Wel dient GS voldoende aannemelijk te maken dat het verlenen van de ontheffing (ter uitvoering van dit beleid) noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige schade, ter waarborging van verkeersveiligheid, en ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren. GS heeft dit onderbouwd door te wijzen op specifieke kenmerken van het wilde zwijn, zoals het aanpassingsvermogen en het hoge reproductievermogen. Gelet op de grotendeels vergelijkbare leefomstandigheden van de wilde zwijnen heeft GS mogen aansluiten bij de ervaringen van andere provincies, waaruit blijkt dat het beheren van een kleine populatie lastig en tijdsintensief is. Hierdoor bestaat een grote kans dat de populatie zich exponentieel uitbreidt, met een toename van schade en aanrijdingen met wilde zwijnen tot gevolg. De Afdeling volgt daarnaast het betoog van GS dat de noodzaak om direct in te grijpen en een nulstandbeleid te handhaven mede is gelegen in de dreiging van de Afrikaanse varkenspest. Daarmee is het belang van het voorkomen of bestrijden van onnodig lijden van ziekte of gebrekkige dieren gegeven.
Ten aanzien van de voorwaarde dat geen andere bevredigende oplossingen mogen bestaan, oordeelt de Afdeling dat GS toereikend heeft gemotiveerd dat andere oplossingen, zoals het gebruik van een vangkooi of het afrasteren van (leef)gebieden, geen bevredigend alternatief vormen. De stichtingen hebben niet onderbouwd waarom deze motivering niet zou volstaan.
Met de afsluitende constatering dat de gunstige staat van instandhouding van het wilde zwijn niet ter discussie staat, concludeert de Afdeling dat GS de ontheffing mocht verlenen.
Ons valt een aantal dingen op aan deze Afdelingsuitspraak.
Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Afdeling van 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2097.