[appellant] betoogt dat de bezwaarschriftencommissie enkele feitelijke onjuistheden in haar advies heeft opgenomen. Allereerst dat in het advies ten onrechte staat dat [appellant] heeft verklaard niet gehoord te willen worden.

Het college stelt dat [appellant] in zijn bezwaarschrift heeft aangegeven dat hij niet bij een hoorzitting aanwezig zal zijn. Vervolgens is hij drie keer op de hoogte gesteld van de zittingsdatum van 19 april 2021 en gewezen op de mogelijkheid om aan te geven als dit niet uitkwam. Het college stelt dat [appellant] niet op deze brieven heeft gereageerd. Daarom stelt het college zich op het standpunt dat de bezwaarschriftencommissie terecht heeft geconcludeerd dat [appellant] niet op een zitting gehoord wilde worden.
In het bezwaarschrift van [appellant] staat dat hij vanwege professionele verplichtingen en quarantaine-adviezen zijn bezwaarschrift niet mondeling zal kunnen toelichten en dat hij uitkijkt naar een schriftelijke reactie. Het college heeft [appellant] uitgenodigd voor een hoorzitting, ondanks deze mededeling van [appellant] dat hij in zijn algemeenheid geen mondelinge toelichting zal kunnen geven. In de uitnodiging is aangegeven dat de hoorzitting telefonisch of door videobellen plaatsvindt. In een antwoordformulier met datum 4 april 2021 herhaalt [appellant] dat hij vanwege professionele verplichtingen niet in staat zal zijn bij deze hoorzitting aanwezig te zijn en verwijst hij naar zijn bezwaarschrift.
Daarin hoefde het college geen verzoek te lezen om de hoorzitting op een ander moment plaats te laten vinden. Van een reactie van [appellant] waarin hij alternatieve datums voorstelt, is de Afdeling niet gebleken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de bezwaarschriftencommissie deze berichtgeving van [appellant] zo uit kunnen leggen dat [appellant] daarmee aangeeft niet gehoord te willen worden. De rechtbank heeft daarom terecht niet geoordeeld dat dit feitelijk onjuist is weergegeven in het advies van de bezwaarschriftencommissie.