Rechtbank Den Haag 18 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4702. Deze uitspraak gaat over een besluit tot afwijzing van een handhavingsverzoek van eisers, onder verwijzing naar een eerder genomen afwijzend besluit.

De rechtbank stelt vast dat het handhavingsverzoek van 5 september 2024 op dezelfde overtreding ziet als het handhavingsverzoek van 12 september 2019. Het college heeft dit verzoek daarom terecht aangemerkt als een herhaalde aanvraag.
Als na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt ingediend, moet de aanvrager daarbij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermelden (art. 4:6, lid 1 Awb). Het moet dan gaan om nieuwe feiten of omstandigheden die van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beschikking aanleiding kunnen geven. Als er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan de aanvraag meteen worden afgewezen onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit (art. 4:6, lid 2 Awb).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd zoals hiervoor bedoeld. Ook de door eisers naar voren gebrachte inwerkingtreding van de Omgevingswet is niet als zodanig aan te merken. Er is geen aanknopingspunt om aan te nemen dat deze gewijzigde wetgeving zou kunnen leiden tot een inhoudelijk ander besluit dan afwijzing van het handhavingsverzoek.