ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1819. Badpaviljoen Hindeloopen betoogt dat ten onrechte is overwogen dat het college niet van invordering af hoefde te zien, omdat het tijdig opstellen van het herstelplan niet onmogelijk zou zijn, noch qua tijd noch qua complexiteit.

Ten onrechte zijn de punten uit de last los gezien van een volledige restauratie van het badpaviljoen zoals bedoeld in de Afsprakenbrief. Volgens Badpaviljoen Hindeloopen blijkt namelijk uit de Afsprakenbrief dat de context van de gemaakte afspraken wel degelijk was gericht op een totaaloplossing, in elk geval op een essentieel punt daarvan, namelijk herstel van de fundering. Dit punt wordt in de Afsprakenbrief ook uitdrukkelijk genoemd. Het college had bij het nemen van het invorderingsbesluit op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn privaatrechtelijke handelswijze moeten betrekken.
De Afdeling is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van invordering afgezien had moeten worden. Blijkens de Afsprakenbrief hadden partijen afgesproken dat EuroParcs binnen zes maanden een herstelplan zou maken en dat de gemeente gedurende die periode geen nieuwe handhavingsbesluiten en geen invorderingsbesluit ten aanzien van de verbeurde dwangsom van € 110.000,- zou nemen. Verder is in de Afsprakenbrief uitdrukkelijk vermeld onder welke voorwaarden de gemeente na afloop van de zes maanden bereid zou zijn af te zien van de invordering van dit bedrag. Tussen partijen is niet in geschil dat niet aan deze voorwaarden is voldaan. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college vanwege de gemaakte afspraken geheel of gedeeltelijk van invordering af had moeten zien.
Dat, naar Badpaviljoen Hindeloopen heeft gesteld, zij niet aan de afgesproken voorwaarden kon voldoen omdat de betonnen draagconstructie in slechtere staat was dan verwacht, leidt, wat daar verder ook van zij, niet tot een ander oordeel. In dit kader acht de Afdeling van belang dat het college in het verweerschrift in bezwaar onweersproken heeft gesteld dat Badpaviljoen Hindeloopen in 2007 een monumentenvergunning heeft aangevraagd waarbij in die aanvraag ook een herstelplan voor de fundering was opgenomen. Hieruit blijkt dat toen al bekend was dat de fundering niet goed was. Dat dit ook bij EuroParcs bekend was, wordt bevestigd door het feit dat het herstel van de betonnen draagconstructie van het badpaviljoen is meegenomen in de in de Afsprakenbrief neergelegde afspraken. Dat EuroParcs naar eigen zeggen uiteindelijk niet binnen de afgesproken zes maanden aan die afspraken kon voldoen, komt voor haar rekening en risico.