Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Hoge Raad verduidelijkt toepassing eliminatieregel bij vaststellen schadeloosstelling in onteigeningszaak

De Hoge Raad oordeelt in zijn arrest van 17 oktober 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1567) dat toepassing van de eliminatieregel in onteigeningszaken met zich meebrengt dat als het onteigende op de peildatum naar redelijke verwachting een andere (meer lucratieve) bestemming zou hebben gehad indien de onteigening niet zou hebben plaatsgevonden, bij de waardevaststelling met die andere (hypothetische) bestemming rekening moet worden gehouden. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de onteigende partij aanspraak maakt op vergoeding van de kosten die verbonden zijn aan het, vooruitlopend op de op handen zijnde onteigening, treffen van schadebeperkende maatregelen. 

28 October 2025

Samenvattingen

Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over de hoogte van de op grond van art. 40a Onteigeningswet (“OW”) bepaalde volledige schadeloosstelling vanwege de onteigening van gronden die nodig waren ter uitvoering van het Tracébesluit ter verbreding van een autosnelweg. De eigenaar van de autofabriek wiens gronden daarvoor werden onteigend betoogde in cassatie dat de rechtbank bij het vaststellen van de volledige schadeloosstelling ten onrechte geen rekening had gehouden met de waardestijging van de betrokken gronden, indien geen onteigening zou hebben plaatsgevonden: de agrarische bestemming ervan, in afwijking waarvan het bevoegd gezag steeds slechts tijdelijk toestemming had verleend (en mocht verlenen) voor het gebruik als parkeerterrein voor de werknemers van de fabriek, zou in dat geval binnen het provinciale inpassingsplan permanent bestemd zijn als parkeerterrein en daarmee (hypothetisch) een hogere waarde vertegenwoordigen. Ook zou de rechtbank volgens de autofabrikant bij het vaststellen van de schadeloosstelling ten onrechte geen rekening hebben gehouden met diens (vóór de peildatum gemaakte) vrijwillige keuze om een omgevingsvergunning aan te vragen voor de bouw van een nieuwe parkeergarage, waarin ook ruimte was voorzien voor de parkeercapaciteit die vanwege de uitvoering van het Tracébesluit op termijn verloren zou gaan.  

Ten aanzien van de beweerdelijke waardestijging van het onteigende parkeerterrein overweegt de Hoge Raad dat de strekking van de in art. 40c OW neergelegde eliminatieregel is dat bij de vaststelling van de te vergoeden werkelijke waarde van het onteigende rekening wordt gehouden met de (hypothetische) waarde die het onteigende op de peildatum gehad zou hebben, de onteigening weggedacht. De redelijkheid van deze correctie is volgens de Hoge Raad onder meer hierin gelegen dat, als deze niet zou worden toegepast, de onteigende verstoken zou blijven van de vergoeding van een waarde die weliswaar op het moment van de onteigening niet in zijn vermogen aanwezig was, maar dat alleen als gevolg van de invloed van het werk waarvoor onteigend wordt (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 26 oktober 1960, ECLI:NL:HR:1960:59, niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Deze uitleg van het eliminatiebeginsel strookt volgens de Hoge Raad met het in het onteigeningsrecht geldende uitgangspunt dat de als gevolg van de onteigening toe te kennen schadeloosstelling een volledige moet zijn (zie art. 40 (oud) OW en art. 15.18 Omgevingswet), hetgeen betekent dat de toe te kennen schadeloosstelling de onteigende in beginsel moet brengen in een financiële toestand gelijkwaardig aan die waarin hij zich - op de peildatum - zonder onteigening zou hebben bevonden (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 4 november 1964, ECLI:NL:HR:1964:AB3751, niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).   

Naar het oordeel van de Hoge Raad voert de autofabrikant terecht aan dat zij met haar keuze om bij de nieuwe parkeergarage van de autofabriek rekening te houden met het toekomstige verlies aan parkeerplaatsen (op de gronden die nodig zouden zijn voor verbreding van de autosnelweg) heeft geanticipeerd op de onteigening. In deze stelling ligt volgens de Hoge Raad besloten dat de uitbreiding van de parkeergarage in rechtstreeks verband stond met de op handen zijnde onteigening en dat de onteigening in zoverre haar schaduw vooruitgeworpen heeft. De enkele omstandigheid dat de autofabrikant daarbij vrijwillig en op eigen initiatief - en niet op verzoek van of met medewerking of toestemming van de Staat (in zijn hoedanigheid van onteigenaar) - schadebeperkende maatregelen heeft genomen, kan naar het oordeel van de Hoge Raad niet het oordeel dragen dat de kosten van dat schadebeperkende handelen voor rekening van de autofabrikant moeten blijven (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:757). De Hoge Raad concludeert dat het Gerechtshof zich opnieuw zal moeten buigen over de hoogte van de volledige schadeloosstelling. 

Artikel delen