Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Illegaal Hooischuur in Rosmalen

In deze uitspraak bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de rechtmatigheid van een door het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch opgelegde last onder dwangsom. Deze last strekt tot het verwijderen van een hooischuur die zonder omgevingsvergunning is opgericht in het buitengebied van Rosmalen. Het geschil draait om de vraag of het bouwwerk vergunningplichtig is en of het college terecht handhavend heeft opgetreden.

15 October 2025

Samenvatting

Samenvatting

De Afdeling stelt vast dat met het bouwen van de hooischuur in strijd is gehandeld met artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waarin is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk op te richten. Daarnaast is sprake van strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wabo, dat het verboden verklaart gronden te gebruiken op een wijze die in strijd is met het geldende bestemmingsplan.

Het perceel waar de hooischuur is gebouwd, heeft volgens het vigerende bestemmingsplan de bestemming ‘Groen’ en is voorzien van de specifieke bouwaanduiding ‘onbebouwd’. Op grond van de planregels is binnen deze bestemming geen bebouwing toegestaan. De Afdeling onderschrijft de lezing van het college dat het oprichten van een hooischuur binnen deze bestemming niet is toegestaan zonder omgevingsvergunning, en dat daarvan ook geen sprake was.

[Appellant] heeft betoogd dat het bouwwerk vergunningvrij kon worden gebouwd, omdat het zou zijn geplaatst in het achtererfgebied van het hoofdgebouw, waarmee een beroep werd gedaan op de regeling in artikel 2 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Die bepaling staat onder voorwaarden toe dat bijbehorende bouwwerken zonder vergunning mogen worden opgericht.

De Afdeling verwerpt dit betoog. Uit de definitie van 'erf' in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor volgt dat slechts die gronden die feitelijk bij een hoofdgebouw horen en niet openbaar toegankelijk zijn als erf kwalificeren. In dit geval is er echter geen sprake van een functioneel hoofdgebouw waartoe de hooischuur in bouwkundig of functioneel opzicht zou behoren. Het perceelsgedeelte waarop de hooischuur is gebouwd kan daarmee niet worden aangemerkt als erf in de zin van het Bor, zodat het bouwwerk niet vergunningvrij kan worden opgericht.

Gezien de constatering van een overtreding was het college bevoegd om handhavend op te treden. Die bevoegdheid is gegrond op artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat een bestuursorgaan een last onder dwangsom kan opleggen ter handhaving van bij of krachtens wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geldt dat bij een geconstateerde overtreding het bestuursorgaan in beginsel verplicht is om handhavend op te treden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Voorbeelden daarvan zijn concreet zicht op legalisatie of onevenredigheid tussen het belang van handhaving en de nadelige gevolgen voor betrokkene.

In casu is er geen sprake van legalisatiemogelijkheden, nu het bestemmingsplan geen bebouwing toestaat en geen voorbereidingsbesluit of ontwerpbestemmingsplan is vastgesteld. Evenmin heeft [appellant] aannemelijk gemaakt dat handhaving disproportioneel zou zijn. De Afdeling oordeelt dan ook dat het college terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom, waarvan de hoogte en de begunstigingstermijn niet onredelijk zijn bevonden.

Artikel delen