In haar uitspraak van 11 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1402) oordeelt de Afdeling dat de schriftelijke mededeling van de burgemeester dat hij bestuursrechtelijk niet handhavend zal optreden tegen het telen van maximaal vijf hennepplanten niet kwalificeert als een gedoogbeslissing noch als een bestuurlijk rechtsoordeel. Aanleiding voor dit oordeel vormde het hoger beroep van diverse gebruikers van medicinale cannabis: als thuistelers willen zij voorkomen dat hun zelf te kweken voorraad medicinale cannabis in geval van handhavend optreden wordt meegevoerd en vernietigd en dat hun woning met toepassing van bestuursdwang tijdelijk wordt gesloten.

Met het instellen van rechtsmiddelen wensen zij de rechtmatigheid van de mededeling van de burgemeester daarom bestuursrechtelijk te laten toetsen. De Afdeling begrijpt dat de aanwezigheid van hennepplanten en een voorraad medicinale cannabis in een woning ingrijpende strafrechtelijke of civielrechtelijke consequenties voor de thuistelers kan hebben, maar ziet geen aanleiding om hen toegang te geven tot een bestuursrechtelijke rechtsgang. De Afdeling overweegt dat een gedoogbeslissing volgens vaste rechtspraak een brief is van een bestuursorgaan met de - al dan niet voorwaardelijke - toezegging van het bestuursorgaan dat het vooralsnog niet tot handhavend optreden overgaat (vgl. de Afdelingsuitspraak van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356). Omdat de burgemeester zich in dit geval op het standpunt dat het telen van maximaal vijf hennepplanten geen sprake is van een overtreding van art. 13b Opiumwet oplevert, kan zijn schriftelijke mededeling daarover niet worden aangemerkt als een gedoogbeslissing (die immers veronderstelt dat sprake is van een overtreding). Naar het oordeel van de Afdeling is evenmin sprake van een bestuurlijk rechtsoordeel: een bestuurlijk rechtsoordeel is volgens de Afdeling een zelfstandig en als definitief bedoeld oordeel van een bestuursorgaan over de toepasselijkheid van een wettelijk voorschrift, waarvan de toepassing tot de bevoegdheid van dat bestuursorgaan behoort (vgl. de Afdelingsuitspraak van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1711). Met de burgemeester is de Afdeling van oordeel dat in dit geval sprake is van een algemene informatiebrief over de mogelijkheden van medicinale cannabisteelt in het licht van het door de burgemeester gevoerde generieke gedoogbeleid. In de brief geeft de burgemeester geen oordeel over de toepasselijkheid van art. 13b Opiumwet over de concrete situatie van de procederende thuistelers, hetgeen wel vereist is wil sprake zijn van een bestuurlijk rechtsoordeel (vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:265). Omdat van een bestuurlijk rechtsoordeel geen sprake is, komt de Afdeling niet toe aan de vraag of dit oordeel omwille van de rechtsbescherming met een besluit gelijk moet worden gesteld.