Vandaag heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan over het bestemmingsplan ‘Lint Krommenie’. Kort en goed komt zij tot het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd of de voorziene woningbouw die eerder vergund (maar nog niet onherroepelijk) is, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling draagt de raad dan ook op om dit gebrek in de besluitvorming te herstellen.

Wat was er nou precies gebeurd? Op 30 november 2023 heeft de raad het bestemmingsplan vastgesteld. De raad wil de oude, ruime bouwmogelijkheden uit voorgaande plan vervangen door regels die uitgaan van de bestaande bebouwing. Met dit plan is niet beoogd om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Wel is in het plan een nog niet onherroepelijke omgevingsvergunning voor het bouwen van 12 appartementen opgenomen. Appellanten betogen dat dit niet had gemogen. Zij hebben immers nog een beroepsprocedure lopen tegen deze vergunning.
De Afdeling oordeelt dat deze omgevingsvergunning, hoewel nog niet onherroepelijk, een zwaarwegend belang vormt dat de raad moet betrekken bij zijn besluitvorming. Dit betekent dat de raad bij de vaststelling van het plan rekening moet houden met de verleende vergunning. Dat heeft de raad gedaan door een bouwvlak in de verbeelding op te nemen voor de bebouwing van het vergunde bouwplan. De Afdeling begrijpt de raad zo dat hij voor de ruimtelijke onderbouwing van het als zodanig bestemmen van het bouwplan aansluiting heeft gezocht bij de ruimtelijke onderbouwing van het college bij de verleende omgevingsvergunning.
Echter, dat vindt de Afdeling in dit geval te ver gaan. Hoewel het de raad in beginsel vrijstaat om aan te sluiten bij de ruimtelijke onderbouwing van een eerder door het college verleende vergunning, kon de raad in dit geval daar niet mee volstaan. De verleende vergunning heeft namelijk alleen betrekking op het bouwplan van X, terwijl het bestemmingsplan, in tegenstelling tot de verleende omgevingsvergunning, voor herhaalde toepassing vatbaar is. En in het vaststellingbesluit en de zienswijzennota is alleen in algemene zin genoemd dat verleende, maar nog niet onherroepelijke vergunningen een zwaarwegend belang vormen bij vaststelling van het plan. De raad heeft geen afweging gemaakt of er uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening redenen zijn om deze vergunning, die ziet op dit specifieke bouwplan, al dan niet in het bestemmingsplan in te passen. Dat maakt dat sprake is van een motiveringsgebrek. Gelet daarop draagt de Afdeling de raad op om dit gebrek te herstellen.
ENVIRON Advocaten