Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Intern salderen ook niet meer bij bestemmingsplannen in de voortoets

In navolging van de 18 december-uitspraken, waarin voor projecten door de Afdeling werd geoordeeld dat intern salderen niet meer in de voortoets mocht plaatsvinden, heeft de Afdeling in de uitspraak van 14 januari 2026 hetzelfde over plannen geoordeeld, in casu een bestemmingsplan.

30 January 2026

Uit de Wet natuurbescherming (tegenwoordig de Omgevingswet) volgde dat een passende beoordeling moest worden gemaakt als een bestemmingsplan significante gevolgen kon hebben voor Natura 2000-gebieden. Dat was het geval als een plan voorzag in ruimtelijke ontwikkelingen die ten opzichte van de referentiesituatie significante gevolgen konden hebben. Onder referentiesituatie werd de feitelijk aanwezige en planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan verstaan.

Als een bestemmingsplan ten opzichte van de referentiesituatie leidde tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan dienden de gevolgen van die toename voor de vaststelling van het plan te worden onderzocht. Als daaruit volgde dat significante gevolgen niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (voortoets), diende een passende beoordeling te worden gemaakt. In die voortoets mocht intern gesaldeerd worden.

Vanaf de uitspraak van 14 januari 2026 mag de referentiesituatie niet meer betrokken worden bij de vraag of significante gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan op voorhand zijn uitgesloten. Dit betekent dat voortaan in de voortoets bij de beoordeling of significante gevolgen op voorhand zijn uitgesloten, de gevolgen van de ruimtelijke ontwikkelingen die in het bestemmingsplan (en andere ruimtelijke plannen) mogelijk worden gemaakt op zichzelf moeten worden onderzocht. Bij de passende beoordeling mag onder voorwaarden wel intern worden gesaldeerd.

Interessant is nog de overwegingen van de Afdeling over het additionaliteitsvereiste. Het additionaliteitsvereiste houdt in dat gemotiveerd moet worden dat de daling van de stikstofdepositie door het stoppen een bestaande activiteit niet nodig is voor behoud of verbetering van de natuur. Als dat wel het geval is, dan dient die daling van de stikstofdepositie gebruikt te worden voor behoud of het verbeteren van de natuur. De Afdeling overweegt dat, vanwege het feit dat de raad geen invloed kan hebben op de keuze van te treffen maatregelen, hij enkel op basis van openbare gegevens kan komen tot een invulling van de motiveringsverplichting. De Afdeling overweegt daartoe dat de raad een vergewisplicht heeft: de raad moet zich ervan vergewissen dat in openbaar raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen staan dat het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen de wijziging of beëindiging van de referentiesituatie nodig acht als instandhoudings- of passende maatregel.

Na de 18 december-uitspraken was deze uitspraak al wel verwacht. Dit betekent echter dat nog meer noodzaak bestaat dat degelijke maatregelen getroffen worden om de natuur te verbeteren met betrekking tot stikstof. Tot op heden is daar bar weinig van terecht gekomen.