En ook deze week is een uitspraak van de Afdeling verschenen over de vraag of een natuurvergunning moet worden ingetrokken. Het gaat deze keer om een vergunning die in 2015 is verleend voor 1880 melkgeiten in opfok, 10 melkkoeien en 12 legkippen. De intrekking van deze vergunning is door GS van Gelderland geweigerd en de vraag is aan de orde of er sprake is van gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 5.4, eerste lid en onder d, van de Wnb.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat deze intrekkingsgrondslag van toepassing is. Op 30 augustus 2017 is een tijdelijk verbod ingesteld op nieuwvestiging en uitbreiding van een geitenhouderij. Dit verbod staat in artikel 2.34 van de Omgevingsverordening Gelderland. Volgens de rechtbank had de geitenstop, indien deze ten tijde van de vergunningverlening van kracht was geweest, in de weg gestaan aan het verlenen van de natuurvergunning waarmee een uitbreiding is toegestaan.
Volgens de Afdeling volgt uit het wettelijk kader dat de betreffende intrekkingsgrond van toepassing is wanneer 1. de omstandigheden zijn gewijzigd ten opzichte van het tijdstip waarop de vergunning is verleend en 2. die gewijzigde omstandigheden, als die ten tijde van het verlenen van de vergunning hadden bestaan, ertoe hadden geleid dat de vergunning niet, niet zonder beperkingen of voorwaarden of onder andere beperkingen of voorwaarden zou zijn verleend.
De Afdeling komt tot het oordeel dat de geitenstop niet een zodanige gewijzigde omstandigheid is, omdat de stop op het uitbreiden en nieuw vestigen van geitenhouderijen in de provincie Gelderland is ingegeven door de mogelijke effecten op de volksgezondheid. De geitenstop biedt geen inzichten over de vraag of de gevolgen van de geitenhouderij - anders dan ten tijde van het verlenen van de natuurvergunning werd verondersteld - toch een verslechtering van de betrokken Natura 2000-gebieden met zich brengt. Gelet hierop is de intrekkingsgrond niet van toepassing. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend. Overigens lijkt in ro 13.1 in de uitspraak het woord “geen” te ontbreken zodat je als lezer eerst op het verkeerde been wordt gezet.
Dan speelt in deze zaak ook nog de vraag of intrekking nodig is ter uitvoering van art. 6, tweede lid Hrl. Heel kort samengevat: GS hebben zich op basis van de NDA, het advies van de Ecologische Autoriteit in samenhang bezien met de gegevens uit AERIUS Monitor 2024, de uitleg over de mate van overschrijding van de KDW in relatie tot het oppervlak van het habitattype H91E0C en verschillende drukfactoren die daarbij van betekenis zijn, terecht op het standpunt gesteld dat voldoende inzichtelijk is gemaakt dat de noodzakelijke daling van stikstofdepositie wordt bewerkstelligd binnen afzienbare termijn. Het college kon daarom afzien van het intrekken van de natuurvergunning.
AbRvS 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5598