Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Intrekking omgevingsvergunning vanwege onjuiste gegevens (art. 18.10 Omgevingswet)? jurisprudentie Wabo voortgezet

De uitspraak van de rechtbank Zeeland West-Brabant van 22 januari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:125 gaat over de vraag of het college terecht heeft beslist niet handhavend op te treden tegen vergunninghouder en de omgevingsvergunning niet in te trekken. Eisers zijn het daar niet mee eens.

22 January 2026

Samenvattingen

Voor handhavend optreden is vereist dat sprake is van een overtreding van wettelijke voorschriften. Daarnaast kan het college een omgevingsvergunning op grond van artikel 18.10 van de Omgevingswet (Ow) geheel of gedeeltelijk intrekken indien onder meer wordt gehandeld in strijd met de vergunning of de daaraan verbonden voorschriften, of indien de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens.

Eisers stellen dat de omgevingsvergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige informatie. Volgens hen heeft vergunninghouder bij de aanvraag aangegeven dat de loods bedrijfsmatig gebruikt zal worden, maar dat is niet het geval. De loods zal hobbymatig gebruikt worden. Volgens eisers is het werkelijke gebruik daarom niet in overeenstemming met wat bij de aanvraag is voorgespiegeld. Het college moet volgens eisers daarom handhavend optreden en de verleende omgevingsvergunning intrekken.

Het college stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat voor handhavend optreden of intrekking van de omgevingsvergunning. Daartoe voert zij aan dat het bedrijfsgebouw nog in aanbouw is, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van gebruik in strijd met de planregels. Dat vergunninghouder aangegeven zou hebben naast bedrijfsactiviteiten ook hobbymatige werkzaamheden te willen verrichten, betekent volgens het college niet dat de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens. Bepaalde hobbymatige werkzaamheden mogen volgens het college ook plaatsvinden, zolang dit van zodanig ondergeschikte aard en omvang is dat daaraan in planologisch opzicht geen betekenis toekomt. Het college ziet daarom geen grond om gebruik te maken van zijn handhavings- of intrekkingsbevoegdheid.

De rechtbank stelt vast dat, voor zover het verzoek ziet op handhavend optreden wegens strijdig gebruik, de loods nog in aanbouw is, zodat geen overtreding kan worden vastgesteld en handhavend optreden nog niet mogelijk is. Het college is hier dan ook terecht niet toe overgegaan.

Voor de beantwoording van de vraag of aanleiding bestond om de omgevingsvergunning in te trekken, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) de bevoegdheid om de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 18.10, vierde lid, van de Ow in te trekken was opgenomen in artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De rechtbank zal, nu de strekking van de bepalingen sterk overeenkomt, met haar beoordeling – gelet op het nog ontbreken van jurisprudentie over deze bevoegdheid in de Ow – aansluiten bij de jurisprudentie over de toepassing van deze bevoegdheid op grond van de Wabo.

Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), ABRvS van 7 april 2021: ECLI:NL:RVS:2021:720, van 17 april 2021: ECLI:NL:RVS:2019:1156 en van 11 december 2013: ECLI:NL:RVS2013:2407 volgt dat voor de intrekking van een omgevingsvergunning wegens een onjuiste of onvolledige opgave noodzakelijk is dat vast staat dat de omgevingsvergunning juist wegens de onjuistheid in de overgelegde gegevens is verleend.

Dat de loods nog in aanbouw is, brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of het daadwerkelijke gebruik van de loods afwijkt van het gebruik zoals bij de aanvraag is aangegeven. Daarmee ontbreken thans objectieve aanknopingspunten dat bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.

Vergunninghouder heeft ter onderbouwing van zijn bedrijfsmatige activiteiten aangevoerd dat zijn onderneming is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en hij een activiteitenmelding voor de werkzaamheden heeft gedaan bij de Omgevingsdienst. Daarnaast heeft hij een offerte voor te verrichten werkzaamheden en foto’s waarop zijn werkzaamheden te zien zijn overgelegd.

Daartegenover staat enkel de stelling van eisers dat vergunninghouder heeft gezegd de loods (mede) hobbymatig te willen gebruiken. Ook voor zover deze stelling is gebaseerd op het door eisers overgelegde geluidsfragment, volgt daaruit geen objectief aanknopingspunt over de aard en omvang van het toekomstige gebruik, waaruit kan worden afgeleid dat het gebruik niet bedrijfsmatig zal zijn.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt die van doorslaggevend belang waren voor de vergunningverlening. Het enkele vermoeden van eisers dat het gebruik in de praktijk hobbymatig zal zijn, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de vergunning op basis van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend en het college hoefde geen aanleiding te zien om handhavend op te treden of de omgevingsvergunning in te trekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft, er niet wordt gehandhaafd en de omgevingsvergunning niet wordt ingetrokken.

Artikel delen