Een opmerkelijke casus die aan de orde was in een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 14 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1197. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om omgevingsvergunning van eiser voor een donkertebelevingsplek kunnen weigeren. Bij recht is extensief dagrecreatief medegebruik toegestaan en eiser is van mening dat daarvan hier sprake is.

Op de gronden waarop de donkerte belevingsplek is voorzien geldt op grond van het het bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch’. Op grond van de bestemmingsomschrijving in art. 3 van de planregels is extensief dagrecreatief medegebruik als ondergeschikt gebruik aan de in dat artikel genoemde bestemmingen toegestaan. De rechtbank stelt vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of de donkerte belevingsplek als zodanig is aan te merken.
Op grond van art. 1.40 v.d. planregels is extensief dagrecreatief medegebruik als volgt gedefinieerd: een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen medegebruik.
Het college betoogt dat de term medegebruik zoals gedefinieerd in de planregels ziet op een gebruik van voorzieningen die binnen een gebied al aanwezig zijn, niet gericht zijn op een publiekstrekkend karakter en in de aan dat gebied toegewezen functie zijn opgenomen. Zodra een dagrecreatieve functie een permanente vaste plek heeft, dan wordt dat bestemd of aangeduid op de plankaart, zoals boerengolf. De donkerte belevingsplek is geen medegebruik, maar een nieuwe zelfstandige voorziening die een eigen vaste plek inneemt.
De rb. is van oordeel dat het college de donkerte belevingsplek terecht niet heeft aangemerkt als extensief dagrecreatief medegebruik. In de Van Dale wordt het begrip ‘extensief’ omschreven als ‘naar de uitgestrektheid, zich ver uitstrekkend’. Ook uitgaande van de definitie in de planregels kan de belevingsplek niet als extensief medegebruik worden aangemerkt.
Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat, gelet op de voorbeelden die in art. 1.40 van de planregels worden genoemd en de omstandigheid dat het volgens die bepaling moet gaan om een daarmee naar de aard gelijk te stellen medegebruik, ‘vlottende’ activiteiten worden bedoeld. Daarvan is in dit geval geen sprake. De donkerte belevingsplek wordt gevormd door een bouwwerk dat op één plek op de gronden van [adres] geplaatst zou worden.