Deze vraag was aan de orde in een uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 1 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3346 over een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit aanleggen. De uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen van halfverharding.

In artikel 4.1, sub i, van de planregels staat dat de gronden met de agrarische bestemming ook bestemd zijn voor de bescherming, instandhouding en versterking van de landschaps- en natuurwaarden en cultuurhistorische waarden, met name in de vorm van rust, openheid, graslandareaal en relatief hoge grondwaterstanden.
Eisers betogen dat het college de omgevingsvergunning niet mocht verlenen.
De verschillende waarden, waaronder rust, zijn volgens het college betrokken en vanuit de planologische mogelijkheden beoordeeld. Het college merkt daarbij op dat ‘rust’ niet hetzelfde is als stilte. Rust in de planologische waarden betekent volgens het college dat het passend moet zijn binnen de omgeving.
De rechtbank overweegt verder dat het primair aan het bestuursorgaan is om uit te leggen wat de planologische waarden inhouden. In dit geval gaat het om landschaps- en natuurwaarden en cultuurhistorische waarden, met name in de vorm van rust, openheid, graslandareaal en relatief hoge grondwaterstanden. De rechtbank oordeelt dat het college ‘rust’ als landschappelijke waarde heeft kunnen uitleggen als passend in de omgeving. Bovendien heeft het college zich in de beslissing op bezwaar gebaseerd op het advies van de adviseur Cultuurhistorie van de gemeente. Uit het advies volgt dat de halfverharding voor een rustige uitstraling zorgt. De rustige uitstraling hebben eisers niet betwist.
De rechtbank ziet dus geen aanleiding voor het oordeel dat rust ook moet inhouden dat het stil is en blijft en dat er geen verkeersbewegingen zijn. Omdat aan de voorwaarden van artikel 4.6.2 van de planregels wordt voldaan, moest het college ook overgaan tot verlening van de omgevingsvergunning.