Rechtbank Oost-Brabant 18 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1089. Deze uitspraak gaat over het handhavingsverzoek van verzoekers gericht tegen omvangrijke werkzaamheden vanwege de huns inziens mogelijke impact op hun perceel gelegen in het Natura 2000 gebied. Beide wegen (met de onderliggende riolering) liggen er al voor de aanwijzing van de nabijgelegen Natura 2000 gebieden.

Naar voorlopig oordeel van de vzr. kan in dit geval niet gezegd worden dat er tussen de eerder vergunde activiteit en de thans voortgezette activiteit, geen continuïteit en identiteit bestaat. De [adres] en [adres] waren (tweerichtings-gebiedsontsluitings)wegen en blijven dat. Onder die wegen bevonden zich al rioolpijpen. Deze rioolpijpen worden vervangen door nieuwe rioolpijpen met een gescheiden stelsel voor afvoer van hemelwater en vuilwater, maar er worden geen nieuwe percelen op aangesloten en er worden ook geen pompen geplaatst.
De vzr. acht het daarom niet aannemelijk dat de capaciteit van het riool drastisch wordt gewijzigd. De vervanging van de riolering leidt niet tot een andere identiteit of continuïteit. Hetzelfde geldt voor de wijziging van de parkeerplekken (naast in plaats van op de weg) en de andere inrichting van de weg (de gewijzigde fietsstroken en de vervanging van asfalt door klinkers).
Ook het feit dat de weg smaller wordt en de aanpassing van de maximumsnelheid op deze wegen van 50 km naar 30 km, leiden naar het oordeel van de vzr. niet tot een zodanige andere verkeersontwikkeling dat er sprake is van een andere identiteit of continuïteit als bedoeld in het eerder genoemde beoordelingskader. Naar het oordeel van de vzr. wordt het project op dezelfde plaats en onder dezelfde voorwaarden voortgezet. De voormelde factoren, zowel ieder op zich als tezamen genomen, zijn geen nieuw project, maar de voortzetting van het bestaande project.
Het voorgaande betekent dat geen sprake is van een overtreding zodat derde partij geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000 activiteit nodig had voor de activiteiten. De vzr. is daarom van oordeel dat verweerder het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen.