Naar aanleiding van een verzoek om intrekking van een natuurvergunning die is verleend op basis van de PAS, is het college van GS van Groningen in het kader van een hoger beroepsprocedure, deels overstag gegaan en is de natuurvergunning gedeeltelijk ingetrokken. Volgens Milieudefensie gaat deze intrekking niet ver genoeg omdat haar verzoek zag op de activiteiten, voor zover deze nog niet waren gerealiseerd.

Volgens het college is gelet op de feitelijke situatie van het bedrijf verdere intrekking niet nodig. Hiertoe zet het college uiteen dat de natuurvergunde stal niet is gerealiseerd en niet meer zal worden gerealiseerd. De stal kan ook niet worden gerealiseerd omdat daarvoor andere toestemmingen ontbreken, onder andere in het ruimtelijke spoor. Ook is de veehouder niet voornemens om de vergunde wijzigingen te realiseren, maar wil hij maximaal 495 stuks melkvee en 331 stuks jongvee gaan houden binnen het bestaande bouwblok. Hiervoor zal de veehouder een nieuwe natuurvergunning aanvragen. Het college acht verdere intrekking van de PAS-vergunning uit 2017 niet nodig als passende maatregel. Daarbij heeft het college ook betrokken dat er op korte termijn andere passende maatregelen worden uitgevoerd, waarmee wordt gewaarborgd dat de verslechtering van natuurwaarden in het gebied tot stilstaan wordt gebracht. Een en ander is onderbouwd in een nadere notitie.
Met de bovenstaande maatregelen wordt de verslechtering gestopt, maar de kritische depositiewaarde (KDW) nog niet onderschreden. Het college erkent dat meer maatregelen nodig zijn om de al opgetreden verslechtering vanaf de referentiedatum ongedaan te maken, maar stelt zich op het standpunt dat dit met herstelmaatregelen kan worden bereikt.
De Afdeling is van oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd dat een verdere intrekking van de PAS-vergunning op dit moment niet nodig is om de al opgetreden verslechtering ongedaan te maken, maar dat daarvoor herstelmaatregelen nodig zijn gericht op het verbeteren van de hydrologische situatie en het tegengegaan van de al in de bodem geaccumuleerde stikstofdepositie. Ook Milieudefensie geeft aan dat verdere maatregelen gericht op stikstofreductie pas nut hebben op het moment dat de hydrologische situatie in het gebied is verbeterd.
Het enkele feit dat in 2030 nog sprake is van een matige tot lichte overschrijding van de KDW, maakt dit niet anders, omdat de KDW geen absolute grenswaarde is, maar één van de indicatoren van de staat van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied.
Tenslotte overweegt dat Afdeling dat met betrekking tot de bedrijfsverplaatsing (die als passende maatregel ook wordt genoemd), niet is vereist dat deze met zekerheid wordt uitgevoerd (de Afdeling verwijst naar overweging 14.8 van de Logtsebaan-uitspraak).
Het college heeft met de brief over de toekenning van de subsidie, het akkoord van de provincie en de brief aan de gemeente voldoende aannemelijk en inzichtelijk gemaakt dat de bedrijfsverplaatsing een van de passende maatregelen is die binnen afzienbare termijn zal worden getroffen om te komen tot de noodzakelijke stikstofdepositiedaling om verslechtering tot stilstand te brengen.
AbRvS 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1953