Rechtbank Den Haag 12 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4170. De rechtbank stelt voorop dat in het bestemmingsplan (dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, YS) niet wordt gedefinieerd wat onder een aanbouw of een bijgebouw moet worden verstaan. Vaststaat dat de woning van de derde partij aan de achterzijde de grens van het bouwvlak met ongeveer 90 cm overschrijdt. Ter zitting is door partijen bevestigd dat deze overschrijding al heeft plaatsgevonden bij de bouw van de woning in 1988. In 2022 is de achtergevel van de woning (deels) vervangen, waarbij de overschrijding van het bouwvlak niet is gewijzigd.

Volgens vaste rechtspraak is het oorspronkelijke hoofdgebouw het hoofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgericht (ABRvS 7 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1897). Als tussentijds sprake is van het (deels) vervangen van een gevel op dezelfde plaats, zoals in dit geval, blijft sprake van een oorspronkelijk hoofdgebouw. Deze rechtspraak dateert weliswaar van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, maar de rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat aan het begrip “oorspronkelijk hoofdgebouw” sinds de inwerkingtreding van die wet een andere invulling moet worden gegeven. Dat betekent dat de strook van 90 cm waarmee de woning van de derde-partij buiten het bouwvlak valt, behoort tot het oorspronkelijke hoofdgebouw. Het college heeft terecht aangenomen dat deze strook geen aanbouw of bijgebouw is en daarom niet meetelt voor het maximale bebouwingspercentage voor aanbouwen of bijgebouwen buiten het bouwvlak.