Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-8-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5551. In art. 5.1, lid 1, onder a Ow staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een omgevingsplanactiviteit is onder andere ‘een activiteit in strijd met het omgevingsplan’. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom vanwege het gebruiken van de woning als recreatiewoning.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-8-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5551. In art. 5.1, lid 1, onder a Ow staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een omgevingsplanactiviteit is onder andere ‘een activiteit in strijd met het omgevingsplan’. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom vanwege het gebruiken van de woning als recreatiewoning.
In het omgevingsplan staat als overgangsrecht opgenomen dat het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
Volgens de rechtspraak (ABRvS 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3106) rust op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. Om te kunnen vaststellen of het gebruik door het overgangsrecht wordt beschermd, moet aannemelijk worden gemaakt dat het recreatief verhuren van de woning al bestond op de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan (sinds 2007) en onafgebroken is voortgezet. Ze moeten ook aannemelijk maken dat dit gebruik dan niet in strijd was met het daarvoor geldende bestemmingsplan.
Uit rechtspraak (ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:859) blijkt dat een onderbreking van het gebruik op zichzelf nog niet betekent dat dit gebruik na de hervatting ervan, voor de toepassing van het overgangsrecht, niet langer is aan te merken als voortgezet gebruik. Of daarvan sprake is, hangt af van de duur en de oorzaak van de onderbreking en de door betrokkene getoonde intentie het gebruik voort te zetten. Na een onderbreking van een te lange duur kan in beginsel geen aanspraak meer worden ontleend aan de beschermende werking van het overgangsrecht. Voor een uitzondering daarop kan slechts aanleiding bestaan indien degene die zich op het overgangsrecht beroept aan de hand van concrete en objectieve gegevens aannemelijk maakt dat de onderbreking verband houdt met zodanig bijzondere omstandigheden dat ondanks de lange duur van die onderbreking moet worden uitgegaan van blijvend voortgezet gebruik.
Volgens de vzr. hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat de woning sinds 2007 onafgebroken recreatief werd verhuurd. Verzoekers hebben met de door hen overgelegde stukken aannemelijk gemaakt dat de woning op bepaalde momenten in die periode recreatief is en op dit moment wordt verhuurd, maar hebben niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd dat dit gebruik al die tijd onafgebroken is voortgezet. Dat de peildatum in het verre verleden ligt en het daardoor moeilijk is om aannemelijk te maken dat het strijdig gebruik gedurende de gehele periode heeft plaatsgevonden, komt voor risico van degene die zich op het overgangsrecht beroept (ABRvS 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2319).