Op grond van artikel 5.1, eerste lid onder a, van de Ow in samenhang met artikel 22.8 van de Ow en artikel 4:11 van de APV is een omgevingsvergunning vereist voor het vellen van houtopstanden.

Op grond van artikel 4:11, eerste lid, van de APV is het, voor zover hier van belang, verboden een houtopstand zonder vergunning van het bevoegd gezag te vellen of te doen vellen. Op grond van het vierde lid van artikel 4:11 van de APV kan een vergunning voor het vellen van een houtopstand kan worden verleend indien:
de belangen van verlening opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van de beoordelingscriteria zoals opgenomen in de notitie waardevolle bomenlijst Gemeente Vught of;
een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang, van niet-tijdelijke aard opweegt tegen duurzaam behoud van de houtopstand of;
naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade.
Het wel of niet verlenen van een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen is een discretionaire bevoegdheid van het college. Het college heeft hierbij beleidsruimte. Het gebruiken van die bevoegdheid wordt door de rechtbank terughoudend getoetst. Dat betekent dat de voorzieningen naar voorlopig oordeel zal beoordelen of het college, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de omgevingsvergunning te verlenen.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:109) volgt dat niet snel sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan de verlening van een omgevingsvergunning. Dat is alleen aan de orde als deze belemmering een evident karakter heeft. Met ‘evident karakter’ wordt bedoeld dat er geen ruimte is voor twijfel aan het bestaan van de belemmering: de belemmering moet overduidelijk zijn. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een bouwplan. Dit is alleen anders als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat realisering van de kap leidt tot een strijd met (zakelijke) rechten en ook vaststaat dat die privaatrechtelijke belemmering niet (door een wijziging) zal kunnen worden opgeheven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake omdat de bomen op grond van de gemeente Vught staan.
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Omdat de voorzieningenrechter met deze uitspraak op de verzoeken heeft beslist, treedt de omgevingsvergunning in werking (artikel 16.79, vierde lid, van de Omgevingswet). Aangezien de verzoeken worden afgewezen, wordt de omgevingsvergunning niet geschorst en mogen de bomen gekapt worden.
In het besluit van 15 oktober 2025 waarbij de omgevingsvergunning voor de kap is verleend, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat zich geen van de weigeringsgronden van de Algemene Plaatselijke Verordening Vught 2022 (APV) voordoen, geen van de bomen waarvoor de omgevingsvergunning voor kap is gevraagd bij toetsing aan de monumentale en waardevolle bomenlijst een score van 45 punten halen en daardoor geen verhoogde beschermingswaarde hebben en het bouw- en woonrijp maken van het perceel een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang is als bedoeld in de Groenvisie 2023-2033. Voor 16 bomen is een herplantplicht opgelegd voor bomen met een stamdiameter groter dan 40 cm.
Verder is in het bestreden besluit bepaald dat de omgevingsvergunning pas in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking en dat als binnen die termijn een voorlopige voorziening wordt gevraagd de omgevingsvergunning niet in werking treedt voordat op het verzoek is beslist. Het verlenen van de omgevingsvergunning is op 22 oktober 2025 gepubliceerd en het verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend op 17 november 2025 zodat de omgevingsvergunning niet in werking is getreden.
Toetsingskader
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht De aanvraag om de kapvergunning is ingediend op 15 september 2025, zodat de Omgevingswet van toepassing is.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid onder a, van de Ow in samenhang met artikel 22.8 van de Ow en artikel 4:11 van de APV is een omgevingsvergunning vereist voor het vellen van houtopstanden.
Op grond van artikel 4:11, eerste lid, van de APV is het, voor zover hier van belang, verboden een houtopstand zonder vergunning van het bevoegd gezag te vellen of te doen vellen. Op grond van het vierde lid van artikel 4:11 van de APV kan een vergunning voor het vellen van een houtopstand kan worden verleend indien:
de belangen van verlening opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van de beoordelingscriteria zoals opgenomen in de notitie waardevolle bomenlijst Gemeente Vught of;
een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang, van niet-tijdelijke aard opweegt tegen duurzaam behoud van de houtopstand of;
naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade.
Het wel of niet verlenen van een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen is een discretionaire bevoegdheid van het college. Het college heeft hierbij beleidsruimte. Het gebruiken van die bevoegdheid wordt door de rechtbank terughoudend getoetst. Dat betekent dat de voorzieningen naar voorlopig oordeel zal beoordelen of het college, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de omgevingsvergunning te verlenen.
Gronden van het verzoek
Verzoekers voeren aan dat er geen onderzoek is gedaan naar de exacte ligging van de erfgrens, de juridische status van de brandgang en de positie van bomen die mogelijk op of tegen de erfgrens staan. Het college gaat er volgens verzoekers ten onrechte vanuit dat het hekwerk dat de brandgang scheidt van de projectlocatie eigendom is van de gemeente omdat uit de aktes van levering blijkt dat het hekwerk van de bewoners van Kampdijklaan is. Verder voeren verzoekers aan dat noodzaak van de kap van de 47 bomen niet is onderbouwd en dat de bomen een belangrijke rol spelen in de biodiversiteit, geluidsdemping en privacy van de aangrenzende percelen. Er is volgens verzoekers ook onvoldoende onderzocht of de bomen in het toekomstige plan kunnen blijven staan. Verzoekers willen onderzoek of de bomen met nummers 1 tot en met 35, 54 tot en met 60 en 62 tot en met 68 kunnen worden behouden omdat deze bomen pal naast de grensscheiding staan of op de plek van parkeerplaatsen waar deze bomen mogelijk in kunnen worden geïntegreerd.
Het college verwijst naar de motivering van het bestreden besluit waarin op de ingebrachte zienswijze is ingegaan en die gelijk zijn aan de gronden van het verzoek om voorlopige voorziening. Het college stelt verder dat het besluit van 15 oktober 2025 mede is gebaseerd uit onderzoek dat door Cobra groeninzicht is verricht. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state mag het college, nadat is nagegaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten, van dat advies uitgaan en behoeft het overnemen daarvan in beginsel geen nadere toelichting. Ter zitting heeft het college nog aangevoerd dat niet alle 217 bomen in het plangebied worden gekapt, maar ruim 100 waarvan er 47 vergunningplichtig zijn en dat de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen zal worden aangevraagd in overeenstemming met het definitieve plan.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het college van een gegeven advies mag uitgaan nadat is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van het advies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als er in de procedure een tegenadvies van een andere deskundige wordt ingebracht of wanneer concrete aanknopingspunten worden aangevoerd waardoor twijfel ontstaat aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
De voorzieningenrechter kan het standpunt van het college dat het rapport van Cobra groeninzicht aan de voorwaarden voldoet volgen. Dat verzoekers daar vraagtekens bij zetten, is onvoldoende. Zij hebben ook geen tegenadvies van een andere deskundige overgelegd. Het college mocht dus afgaan op het advies van Cobra groeninzicht.
Verzoekers voeren verder aan dat er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die aan vergunningverlening in de weg staat omdat diverse bomen zijn vergroeid met het hek en er geen toestemming is om de brandgang te betreden of het hek te beschadigen.
Het college stelt zich op het standpunt dat een privaatrechtelijke belemmering slechts dan aan vergunningverlening in de weg staat indien die evident is. Dat betekent dat er zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de realisatie van de kap toestemming van een ander vereist is die deze niet geeft en niet hoeft te geven. Er grenzen volgens het college weliswaar enkele bomen aan het hek, maar de te kappen bomen staan volledig op grond die eigendom is van de gemeente Vught. Van een privaatrechtelijke belemmering volgens het college dus geen sprake.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:109) volgt dat niet snel sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan de verlening van een omgevingsvergunning. Dat is alleen aan de orde als deze belemmering een evident karakter heeft. Met ‘evident karakter’ wordt bedoeld dat er geen ruimte is voor twijfel aan het bestaan van de belemmering: de belemmering moet overduidelijk zijn. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een bouwplan. Dit is alleen anders als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat realisering van de kap leidt tot een strijd met (zakelijke) rechten en ook vaststaat dat die privaatrechtelijke belemmering niet (door een wijziging) zal kunnen worden opgeheven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake omdat de bomen op grond van de gemeente Vught staan.
Verzoekers voeren tenslotte aan dat hun belangen onvoldoende of niet kenbaar zijn afgewogen.
Het college stelt hieromtrent dat de kap is ingegeven door de realisatie van 26 sociale huurwoning en 24 betaalbare koopwoningen op de projectlocatie. Deze ontwikkeling is gelet op de woningmarkt in Vught van groot maatschappelijk belang. Het college stelt dat hij mocht uitgaan van het advies van Cobra groeninzicht waarin alternatieven zijn onderzocht die niet uitvoerbaar bleken. Bij de vaststelling van het inmiddels onherroepelijk omgevingsplan Stadhouderspark was reeds te voorzien dat er in het gebied bomen zouden worden gekapt. Vanwege de realisatie van woningen op grond van het onherroepelijke plan kan een groot aantal bomen niet worden behouden. Er is op grond van het bovenstaande een belangenafweging gemaakt waarbij, er rekening houdend met het plan, 16 bomen moet worden herplant. Bij de beoordeling van de aanvraag voor de omgevingsvergunning is op grond van de APV ook getoetst aan criteria van de notitie waardevolle bomenlijst. Uit die beoordeling blijkt dat de bomen niet waardevol zijn en met een vergunning mogen worden gekapt. Het college stelt dat het daarom gelet op het zwaarwegende maatschappelijk belang van woningbouw in redelijkheid zwaarder laten wegen dan het belang van de bomen die geen van alle de status waardevol hebben. Ter zitting heeft het college nog aangevoerd dat bij waardevolle bomen een herplantplicht wordt opgelegd en dat, ondanks dat te kappen bomen niet waardevol zijn, er tocht voor 16 bomen een herplantplicht is opgelegd.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit het bestreden besluit, het verweerschrift en het verhandelde ter zitting voldoende dat de belangen voor het behoud van de houtopstand zijn betrokken bij de besluitvorming. Het college heeft toegelicht dat hij bekend is met de wensen van verzoekers bij behoud van de houtopstand maar dat er redenen, waaronder het belang van woningbouw, en de belangen van de kopers van de te realiseren woningen, zijn waardoor het belang bij verwijdering toch zwaarder weegt dat het belang bij behoud. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college een inzichtelijke en deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt en daaruit heeft mogen concluderen dat aan de belangen van verzoekers geen zodanig zwaarwegend gewicht moeten worden toegekend dat die moeten prevaleren boven de belangen van gemeente Vught bij het kappen van de bomen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter betrokken dat de gemeente op grond van de koopovereenkomst gehouden is bouwrijpe grond te leveren en dus zonder de bomen die in verband met bouwplan moeten wijken. Dat verzoekers in overleg zijn met de projectontwikkelaar over mogelijk behoud van bomen maakt dat niet anders.
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Omdat de voorzieningenrechter met deze uitspraak op de verzoeken heeft beslist, treedt de omgevingsvergunning in werking (artikel 16.79, vierde lid, van de Omgevingswet). Aangezien de verzoeken worden afgewezen, wordt de omgevingsvergunning niet geschorst en mogen de bomen gekapt worden.
Dit is een voorbeeld van de nieuwe systematiek van inwerkingtreding van omgevingsvergunningen onder de Omgevingswet. Art. 16.79, lid 1 Ow bepaalt dat een omgevingsvergunning in werking treedt met ingang van de dag na de dag waarop: het besluit is bekendgemaakt, of als het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Awb: het besluit overeenkomstig artikel 3:44, lid 1, onder a Awb ter inzage is gelegd.
In artikel 16.79, lid 2 Ow is een belangrijke uitzondering opgenomen: in afwijking van lid 1 bepaalt het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning dat die in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging als naar zijn oordeel:
a. het verrichten van de activiteit die de omgevingsvergunning mogelijk maakt binnen die vier weken kan leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld, en
b. de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning ertoe strekken die bestaande toestand te beschermen.
Art. 16.79, lid 4 Ow legt vast dat als binnen de termijn, bedoeld in lid 2, bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, de omgevingsvergunning niet in werking treedt voordat op het verzoek is beslist. Belanghebbenden die door de opschorting rechtstreeks in hun belang worden getroffen, kunnen de voorzieningenrechter verzoeken de opschorting op te heffen of te wijzigen. Deze uitspraak is dus een voorbeeld van de toepassing van art. 16.79, lid 4 Ow.
Als het eerder in werking treden van een omgevingsvergunning volgens het bevoegd gezag vanwege spoedeisende omstandigheden nodig is, kan het in afwijking van het tweede lid bepalen dat het besluit eerder in werking treedt en het vierde lid niet van toepassing is (art. 16.79, lid 5 Ow).
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een besluit tot wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning of tot intrekking van een omgevingsvergunning (art. 16.79, lid 6 Ow).