Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Kunnen verklaringen van de overtreder van na het verbeuringsmoment een rol spelen voor de bewijslast van het invorderingsbesluit?

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaf hier antwoord op in de uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:236. [appellant] was tot 1 maart 2022 eigenaar van het recreatieterrein aan de [locatie]. Bij besluit van 17 juni 2019 heeft het college hem gelast om het gebruik van de recreatieverblijven anders dan voor recreatieve doeleinden te staken en gestaakt te houden. Hieraan is een dwangsom verbonden van € 5.000,00 per maand of deel van de maand dat niet geheel wordt voldaan aan deze last, met een maximaal te verbeuren bedrag van € 50.000,00. De (verlengde) termijn om aan de last te voldoen verstreek op 6 februari 2020.

14 January 2026

Samenvattingen

Volgens het college is in de periode van 6 februari 2020 tot en met 6 november 2020 het strijdige gebruik van de recreatieverblijven niet gestaakt. Dat blijkt uit gegevens in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) en uit controles op het recreatieterrein. Het college heeft daarom besloten tot invordering van een totaalbedrag van € 45.000,00. Dit is negen maal de verbeurde maandelijkse dwangsom, omdat de eerste verbeurde dwangsom was verjaard.

Vaststelling dat niet aan de last is voldaan

[appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college op een duidelijke en controleerbare wijze heeft vastgesteld dat hij de dwangsommen heeft verbeurd. Hij voert aan dat het college maar drie controlerapporten van juli, augustus en oktober 2020 aan zijn bevindingen ten grondslag heeft gelegd en hij wijst erop dat deze niet zijn ondertekend en dat het laatste controlerapport niet in het gebruikelijke format is opgesteld. Hij voert verder aan dat de gegevens uit de BRP die het college aan zijn bevindingen ten grondslag heeft gelegd, niet volledig zijn, omdat daarin de recreatieverblijven met nummers [nummer A] en [nummer B] ontbreken. Bovendien heeft het college volgens hem ten onrechte nagelaten de juistheid van de BRP-gegevens te controleren door deze te vergelijken met het nachtregister van het recreatieterrein. Tot slot voert [appellant] aan dat het college en de rechtbank ten onrechte waarde hebben gehecht aan zijn verklaringen over wanneer het strijdige gebruik zou zijn gestaakt. Volgens hem zijn die verklaringen gedaan ruim na de periode waarin de dwangsommen zouden zijn verbeurd.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1179, moet aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag liggen. Daarom moet de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot de verbeurte van een dwangsom worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden moeten op een duidelijke wijze worden vastgelegd. Dat kan in een schriftelijk rapport, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gebruikt. Voor zover de vastgestelde feiten en omstandigheden in een stuk zijn vastgelegd, moet een inzichtelijke beschrijving worden gegeven van wat is vastgesteld of waargenomen. Een schriftelijke rapportage moet verder in beginsel zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening. Aan het ontbreken van een ondertekening en een dagtekening kan worden voorbijgegaan, als op andere wijze kan worden vastgesteld dat de opsteller van de rapportage degene is die de daarin vermelde feiten en omstandigheden heeft vastgesteld of waargenomen en wanneer die vaststelling of waarneming heeft plaatsgevonden.

Het college heeft op basis van gegevens uit de BRP vastgesteld dat gedurende de periode van 6 februari 2020 tot en met 6 november 2020 verscheidene personen waren ingeschreven op adressen van verscheidene recreatieverblijven op het terrein. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:981, levert de inschrijving in de BRP in het algemeen al een aanwijzing op dat de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft op het adres waarop hij is ingeschreven. Dat er geen BRP-gegevens over de recreatieverblijven met nummers [nummer A] en [nummer B] zijn opgenomen doet daaraan niet af, aangezien de dwangsommen al verbeuren bij niet-recreatief gebruik van één van de recreatieverblijven.

De aanwijzing dat de recreatieverblijven van 6 februari 2020 tot en met 6 november 2020 niet-recreatief werden bewoond, wordt verder ondersteund door de bevindingen van de op de op het recreatieterrein uitgevoerde controles van 22 juli 2020, 27 augustus 2020 en 5 oktober 2020 die een beeld geven van continue bewoning van de recreatieverblijven.

Daar komt bij dat [appellant] de bevindingen van het college heeft bevestigd in zijn verklaringen, die erop neerkomen dat het strijdige gebruik in ieder geval niet voor 1 januari 2022 is gestaakt. [appellant] heeft de juistheid van die verklaringen niet bestreden en ook op de zitting bij de Afdeling heeft hij erkend dat het hem niet was gelukt om aan de last te voldoen. Dat die verklaringen zijn gedaan na afloop van de periode waarin de dwangsommen zijn verbeurd, betekent niet, zoals [appellant] aanvoert, dat die niet bij het (oordeel over het) invorderingsbesluit mogen worden betrokken. De Afdeling merkt in dit verband verder op dat, gelet op de BRP-gegevens en de bevindingen van de toezichthouders, die verklaringen niet noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het college dat de dwangsommen zijn verbeurd.

Tegen de achtergrond van de BRP-gegevens en de bevindingen van de toezichthouders, was het voor de vaststelling van de verbeurte van de dwangsommen niet nodig om de BRP-gegevens te vergelijken met het nachtregister van het recreatieterrein. Daarnaast kan aan het ontbreken van een dagtekening en ondertekening op de controlerapporten in dit geval voorbij worden gegaan, omdat uit het formulier en de bijgevoegde foto’s duidelijk blijkt wanneer en door wie de overtredingen zijn waargenomen.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college op duidelijke en controleerbare wijze heeft vastgesteld dat [appellant] de dwangsommen heeft verbeurd.

Artikel delen