De gemeenteraad van Heilloo heeft ten behoeve van de verplaatsing van een transportbedrijf een bestemmingsplan vastgesteld op een locatie waar eerder hoofdzakelijk 'groen' gebruik van de gronden was toegestaan. De stichting Heilloze weg heeft onder meer betoogd dat ten onrechte niet is getoetst aan de ladder duurzame verstedelijking en bovendien betoogd dat de plantoets met het oog op gebiedsbescherming op ontoereikende wijze heeft plaatsgevonden.

De Afdeling beoordeelt eerst of het voorafgaande planologisch regime een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakte. Aangezien hoofdzakelijk groenvoorzieningen waren toegestaan met maximaal 100m2 bebouwing, oordeelt de Afdeling dat het oude planologisch regime geen stedelijke ontwikkeling mogelijk maakte. Het betoog van de raad dat het oude planologisch regime elders binnen de plangrenzen wel verstedelijking mogelijk maakte, doet daar niet aan af. In het kader van finale geschilbeslechting heeft de Afdeling vervolgens beoordeeld of de raad in het verweerschrift alsnog toereikend heeft beoordeeld dat niet binnen bestaand stedelijk gebied in de beoogde ontwikkeling kon worden voorzien. Daarin is de raad niet geslaagd. De raad heeft namelijk niet per bedrijventerrein inzichtelijk gemaakt dat daar onvoldoende ruimte is om het transportbedrijf te vestigen. Ook heeft hij niet onderbouwd dat ter plaatse geen bedrijfswoningen zijn toegestaan en dat deze ook niet planologisch mogelijk gemaakt kunnen worden. Verder heeft de raad onvoldoende duidelijk gemaakt waar het afzetgebied van het transportbedrijf ligt en waarom de afstand tussen dat afzetgebied en de door de stichting genoemde alternatieve locaties te groot is.
Daarnaast heeft de stichting Heilloze weg aangevoerd dat de uitgangspunten die aan de stikstofbeoordeling ten grondslag zijn gelegd, niet kloppen. Onder meer omdat het emissieloos gebruik van de bedrijfsgebouwen en het gebruik van emissieloze heftrucks niet is geborgd in de planregels. De Afdeling overweegt hierover dat niet is onderbouwd dat het hier om de gangbare bedrijfsvoering gaat, zodat de raad daarom emissieloze verwarming van de bedrijfsgebouwen en de inzet van elektrische heftrucks niet zonder meer reëel en aannemelijk mogen achten. De raad had deze voorwaarden voor gebruik dan ook in de planregels moeten borgen. Door dit na te laten is het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld.
De Afdeling verklaart het beroep gegrond en geeft de raad in de bestuurlijke lus de gelegenheid om de gebreken te herstellen.
AbRvS, 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1842