Uit de Afdelingsuitspraak van 22 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5007) volgt dat de aan appellant opgelegde last onder dwangsom wegens overtreding van de Algemene plaatselijke verordening (“APV”) niet kan worden aangemerkt als een criminal charge. De burgemeester had de bestuurlijke sanctie aan appellant opgelegd, nadat uit de bestuurlijke rapportage van de politie was gebleken dat appellant op verschillende data en op verschillende locaties binnen de gemeente uitdagend gedrag heeft vertoond dan wel heeft gevochten.

Daarmee heeft appellant volgens de burgemeester aanleiding gegeven tot ongeregeldheden en heeft hij de openbare orde verstoord, hetgeen in strijd is met de APV. Het doel van de last onder dwangsom is het voorkomen van herhaling van deze overtreding, het voorkomen van aantasting van de openbare orde, het beteugelen van overlast en het bevorderen van de veiligheid. In hoger beroep betoogt appellant, die voor dezelfde feiten ook strafrechtelijk is vervolgd, onder meer dat het opleggen van de last onrechtmatig is: omdat de last moet worden aangemerkt als een strafvervolging als bedoeld in art. 6 EVRM, staat het ne bis in idem-beginsel in de weg aan het opleggen ervan. De Afdeling gaat hier niet in mee en overweegt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het Engel-arrest van 8 juni 1976 (ECLI:CE:EHCR:1976:0608JUDO000510071, Engel e.a. t. Nederland) drie criteria heeft geformuleerd ter bepaling van het antwoord op de vraag of sprake is van een criminal charge: (i) de classificatie van de sanctie naar nationaal recht, (ii) de aard van de overtreding, mede bezien in relatie tot het doel van de sanctie, en (iii) de zwaarte van de maatregel. De laatste twee criteria zijn niet cumulatief: het voldoen aan één van deze criteria kan in bepaalde gevallen reeds leiden tot de conclusie dat sprake is van een criminal charge. Daarnaast is mogelijk dat het tweede en derde criterium in samenhang bezien een dergelijke conclusie kunnen rechtvaardigen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2771). Naar het oordeel van de Afdeling kwalificeert een last onder dwangsom naar nationaal recht als een herstelsanctie (ad i). Het doel van de last onder dwangsom is in dit geval namelijk het voorkomen van een herhaling van de overtreding van de APV. De last onder dwangsom heeft volgens de Afdeling geen strafrechtelijk karakter (ad ii): als appellant niet opnieuw de APV overtreedt, verbeurt hij immers geen dwangsom. De zwaarte van de last is in die zin beperkt (ad iii), aldus de Afdeling: de dwangsom is niet zodanig hoog dat dit zou maken dat de last als een criminal charge moet worden aangemerkt (vgl. de Afdelingsuitspraken van 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1361, en 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:400). Ook de samenloop van een straf- en bestuursrechtelijke sanctie betekent niet dat de last onder dwangsom daardoor aangemerkt moet worden als een criminal charge. De Afdeling concludeert dat het ne bis in idem-beginsel daarom niet is geschonden.