Uit de uitspraak van 1 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1833) volgt dat het zorgvuldigheidsbeginsel met zich brengt dat de gemeenteraad de initiatiefnemer in de gelegenheid had moeten stellen om aan de hand van een locatie-specifiek onderzoek aan te tonen dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen een afstand van 50 meter tot een bestaande woonwijk in overeenstemming is met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, voordat besluitvorming over de vaststelling van het te wijzigen bestemmingsplan plaats zou vinden.

en behoeve van de herontwikkeling van een aantal percelen lag bij de gemeenteraad een ontwerpbestemmingsplan ter besluitvorming voor, waarin een woonbestemming was voorzien direct naast een bestemming die bollenteelt mogelijk maakt. Omdat het plan de mogelijkheid biedt op een afstand van 5 meter van de woonbestemming gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken en de initiatiefnemer, op wiens verzoek het bestemmingsplan was opgesteld, onvoldoende had aangetoond dat die afstand aanvaardbaar is, had de gemeenteraad besloten het plan niet vast te stellen. In beroep is onder meer dit onderdeel van de besluitvorming in geschil. De Afdeling overweegt voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geen wettelijke bepalingen bestaan inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:868). In het kader van een bestemmingsplan dient volgens de Afdeling een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen plaats te vinden, het milieubelang niet uitgezonderd, waarbij de aan te houden afstand tussen de gronden waarop gewassen worden verbouwd en nabijgelegen gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object aanwezig zal zijn. Uit vaste rechtspraak volgt dat de Afdeling een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt in het algemeen niet onredelijk acht. Op basis van zorgvuldig, op de locatie toegesneden onderzoek en aan de hand van een deugdelijke motivering kan deze afstand kleiner zijn (vgl. de Afdelingsuitspraak van 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4407). In dit geval, zo vervolgt de Afdeling, is het ontwerpbestemmingsplan opgesteld op initiatief van appellant, terwijl de gemeenteraad de geldende bestemming nog steeds in overeenstemming acht met een goede ruimtelijke ordening. Naar het oordeel van de Afdeling had het in het kader van de zorgvuldigheid daarom op de weg van de gemeenteraad gelegen om aan appellant kenbaar te maken dat bij gebrek aan een locatie-specifiek onderzoek, onvoldoende duidelijk was of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen en hem in de gelegenheid te stellen dat onderzoek te verrichten. Door dit niet te doen, lijdt het vaststellingsbesluit aan een zorgvuldigheidsgebrek.