Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Locatiespecifiek onderzoek bij verkleining van spuitzones: algemene verwijzingen onvoldoende

In een uitspraak van 18 februari 2026 oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in lijn met haar eerdere jurisprudentie dat het verkleinen van een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en een spuitzone alleen kan worden verkleind als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt.

A.P.C. (Anneloes) Kester 26 February 2026

Samenvattingen

Appellant is eigenaar van een perceel waarop een gebouw staat dat eerder werd gebruikt als zorgboerderij. Hij heeft twee omgevingsvergunningen aangevraagd voor de huisvesting van arbeidsmigranten: deels in de bestaande zorgboerderij en deels in nieuw te plaatsen woonunits. Omdat deze vorm van gebruik in strijd is met het bestemmingsplan, heeft het college twee tijdelijke omgevingsvergunningen verleend om af te wijken van het bestemmingsplan. 

Omwonenden en andere eigenaren van naastgelegen agrarische gronden vrezen dat de huisvesting van arbeidsmigranten binnen een afstand van minder dan 50 meter van hun agrarische gronden zal leiden tot beperkingen van hun agrarische bedrijfsvoering, met name bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Uit vaste rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet onredelijk is. Het is toegestaan deze afstand te verkleinen als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. De kortere afstand kan worden gemotiveerd aan de hand van een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek (zie bijvoorbeeld ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855). 

In de onderliggende zaak had het college een spuitzonerapport van Adromi ten grondslag gelegd dat gebruik maakt van het zogenoemde EFSA-model (European Food Safety Authority). De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat dit model niet geschikt is op spuitzones te beoordelen in het kader van een goede ruimtelijke ordening (vgl. ABRvS 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023 en ABRvS 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3387). Om die reden achtte de rechtbank de omgevingsvergunningen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. 

Appellant stelt zich op het standpunt dat een afstand van minder dan 50 meter ruimtelijk aanvaardbaar is en dat het spuitzonerapport van Adromi daarvoor een toereikende motivering biedt. Het model werkt met “worst case”-aannames en berekent daardoor een hogere blootstelling dan in de praktijk optreedt. Dat het model geen windhaag kan modelleren, acht hij niet doorslaggevend, nu uit wetenschappelijk onderzoek volgt dat een windhaag een driftreducerende werking heeft. Daarnaast moet volgens appellant worden meegewogen dat op de aangrenzende agrarische percelen momenteel geen gebruik gemaakt wordt van gewasbeschermingsmiddelen. Bovendien heeft Adromi in een aanvullend rapport zijn standpunten nader onderbouwd. Tot slot zijn de eventuele resterende wetenschappelijke onzekerheden volgens appellant zeer beperkt en mogen deze door het college worden aanvaard. De gewasbeschermingsmiddelen zijn immers al op Europees niveau toegelaten, zodat negatieve gezondheidseffecten niet opnieuw in het kader van een goede ruimtelijke ordening hoeven te worden beoordeeld.

De Afdeling volgt dit betoog niet. De Afdeling oordeelt dat het EFSA-model nog steeds onvoldoende inzicht biedt in onder meer cumulatieve effecten en blootstellingsrisico’s en daarom niet kan dienen als deugdelijke onderbouwing voor een kortere afstand dan 50 meter. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 14 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2439) benadrukt de Afdeling bovendien dat moet worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Het feit dat op dit moment geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt of dat concrete plannen ontbreken, is daarom niet doorslaggevend.

Ook het aanvullende rapport acht de Afdeling onvoldoende. Dit rapport bevat voornamelijk algemene verwijzingen naar wetenschappelijke literatuur over driftreductie door een haag en is niet voldoende locatiespecifiek. De concrete afstand tussen de woonunits, de zorgboerderij en de agrarische percelen is niet betrokken in het onderzoek. Reeds daarom kan het rapport niet gelden als een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek dat een afwijking van de 50 meter-afstand rechtvaardigt.

De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak onderstreept dat het verkleinen van de in de jurisprudentie gehanteerde spuitzone van 50 meter alleen mogelijk is op basis van een zorgvuldig en locatiespecifiek onderzoek. Algemene verwijzingen naar wetenschappelijke inzichten, technieken of literatuur volstaan niet. De Afdeling bevestigt dat een concreet, op de specifieke situatie toegesneden onderbouwing is vereist om een kortere afstand ruimtelijk te kunnen rechtvaardigen.

ABRvS 18 februari 2025, www.rechtspraak.nlECLI:NL:RVS:2026:929

Artikel delen