De rechtbank Oost-Brabant heeft op 4 mei 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2711, een uitspraak gedaan over een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit aanleggen. Interessant is dat de rechtbank op deze omgevingsplanactiviteit artikel 22.281 omgevingsplan (de bruidsschat) toepasselijk acht. In een eerdere uitspraak van de rechtbank Gelderland (5 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:720) werd geoordeeld dat artikel 22.281 niet toepasselijk zou zijn op een OPA voor een aanlegactiviteit.

n de uitspraak van de Rb. Oost-Brabant wordt geoordeeld dat de activiteiten die zien op zowel het aanleggen van de terreinverharding als het aanleggen van de wadi vergunningplichtig zijn onder het bestemmingsplan. Deze activiteiten zijn op basis van artikel 22.277, onder a, van het omgevingsplan eveneens vergunningplichtig. Artikel 22.281 van het omgevingsplan bepaalt dat het college bevoegd is om de vergunning te verlenen en niet verplicht is om de vergunning te verlenen. In het bestreden besluit is niet kenbaar gemotiveerd dat de terreinverharding geen onevenredige afbreuk doet aan het landschapselement. Evenmin is kenbaar gemotiveerd dat de werkzaamheden ten behoeve van de wadi geen onevenredige afbreuk doen aan de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, het landschapselement ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ en de hydrologische eigenschappen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de omgevingsvergunning te schorsen. Het is niet bekend welke waarden ter plaatse aanwezig zijn en of de werkzaamheden hieraan op onevenredige wijze afbreuk doen.
De Rb. Gelderland oordeelde eerder dat artikel 22.280 en 22.281 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet tot gevolg hebben dat in dit geval beoordeeld moest worden of sprake is van ETFAL. Zoals uit de toelichting van artikel 22.281 van de bruidsschat volgt, heeft artikel 22.281 van de bruidsschat alleen betrekking op afwijkingsmogelijkheden die onder de juridische werking van de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de voormalige Wabo vielen. De aanlegvergunning viel onder oud recht onder artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Onder het oude recht gold de eis dat zich geen strijd met een goede ruimtelijke ordening mag voordoen niet voor artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Nu de wetgever met de invoering van de overgangsrechtelijke regeling van artikel 22.280 en 22.281 van de bruidsschat een neutrale overgang naar het nieuwe stelsel heeft willen borgen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het criterium van ETFAL op dit moment onderdeel uitmaakt van het beoordelingskader van het verlenen van deze omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning voor het aanbrengen van terreinverharding en het uitvoeren van graafwerkzaamheden aan de [adres] in [woonplaats].
De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De vergunninghouder exploiteert een verhuurbedrijf van bouwkranen aan de [adres] in [woonplaats] (de locatie). Verzoeker is eigenaar van het aangrenzende bedrijfsperceel.
Ter plaatse van de locatie geldt het Omgevingsplan gemeente Eersel (het omgevingsplan). Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan “[naam]” (het bestemmingsplan) als onderdeel van dat omgevingsplan. Op grond van het bestemmingsplan is aan de locatie de bestemming “Bedrijf - 2”, “Agrarisch met waarden – Landschap” en “Waarde – Archeologie 5.2” toegekend. De locatie bevat tevens een bouwvlak en de functieaanduiding ‘landschapswaarden’ en ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.
Op 11 februari 2026 is de omgevingsvergunning aangevraagd. Uit de aanvraag volgt dat het project bestaat uit het aanbrengen van terreinverharding en het uitvoeren van graafwerkzaamheden. De terreinverharding komt te liggen op de achterzijde van de locatie en beslaat een oppervlakte van 3.389 m2. De graafwerkzaamheden zijn ten behoeve van een wadi en worden uitgevoerd binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschap” met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.
Is er aanleiding om het bestreden besluit te schorsen?
Ter zitting is met partijen gesproken over de voorgenomen plannen. De terreinverharding wordt aangelegd binnen de bedrijfsbestemming. Volgens het college is het toegestaan om die bestemming te verharden ten behoeve van bedrijvigheid. Het is de voorzieningenrechter echter duidelijk geworden dat binnen de bedrijfsbestemming op twee plaatsen ook de functieaanduiding ‘landschapswaarden’ is gelegen. Ingevolge artikel 6.1 van de planregels zijn de voor “Bedrijf – 2” aangewezen gronden mede bestemd voor het behoud en herstel van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’. Uit de tekening die bij de aanvraag is gevoegd leidt de voorzieningenrechter af dat ook ter hoogte van de aanduidingen ‘landschapswaarden’ sprake zal zijn van terreinverharding. Op grond van artikel 6.6.1 van de planregels is het ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning oppervlakteverhardingen aan te brengen of (delen van) landschapselementen te verwijderen. Vanwege de omgevingsvergunning zal in ieder geval sprake zijn van het aanbrengen van oppervlakteverhardingen. De omgevingsvergunning kan ingevolge artikel 6.6.3 van de planregels slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van het landschapselement.
De wadi wordt aangelegd binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschap” met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. Ingevolge artikel 4.1, van de planregels zijn die gronden onder meer bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden, behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, en het behoud en herstel van hydrologische waarden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. Op grond van artikel 4.4.1, onder a, van de planregels is het verboden om binnen die bestemming zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de bodem af te graven. Vanwege de aanleg van de wadi zal sprake zijn van het afgraven van de bodem. De omgevingsvergunning kan ingevolge artikel 4.4.3 van de planregels slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, het landschapselement ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ en de hydrologische eigenschappen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.
Gelet op het voorgaande zijn de activiteiten die zien op zowel het aanleggen van de terreinverharding als het aanleggen van de wadi vergunningplichtig onder het bestemmingsplan. Deze activiteiten zijn op basis van artikel 22.277, onder a, van het omgevingsplan eveneens vergunningplichtig. Artikel 22.281 van het omgevingsplan bepaalt dat het college bevoegd is om de vergunning te verlenen en niet verplicht is om de vergunning te verlenen.
In het bestreden besluit is niet kenbaar gemotiveerd dat de terreinverharding geen onevenredige afbreuk doet aan het landschapselement. Evenmin is kenbaar gemotiveerd dat de werkzaamheden ten behoeve van de wadi geen onevenredige afbreuk doen aan de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, het landschapselement ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ en de hydrologische eigenschappen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de omgevingsvergunning te schorsen. Het is niet bekend welke waarden ter plaatse aanwezig zijn en of de werkzaamheden hieraan op onevenredige wijze afbreuk doen.
Noot Y. Schönfeld
In een eerdere uitspraak, rechtbank Gelderland 5 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:720, is juist geoordeeld dat artikel 22.281 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan niet zou gelden voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit aanleggen.
De rechtbank Gelderland merkte op dat artikel 22.280 en 22.281 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de bruidsschat) niet tot gevolg hebben dat in dit geval beoordeeld moest worden of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de toelichting van artikel 22.281 van de bruidsschat volgt (Invoeringsbesluit Omgevingswet (Stb. 2020, 400), heeft artikel 22.281 van de bruidsschat alleen betrekking op afwijkingsmogelijkheden die onder de juridische werking van de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de voormalige Wabo vielen. De aanlegvergunning viel onder oud recht onder artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Onder het oude recht gold de eis dat zich geen strijd met een goede ruimtelijke ordening mag voordoen niet voor artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Nu de wetgever met de invoering van de overgangsrechtelijke regeling van artikel 22.280 en 22.281 van de bruidsschat een neutrale overgang naar het nieuwe stelsel heeft willen borgen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op dit moment onderdeel uitmaakt van het beoordelingskader van het verlenen van deze omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit.
Het is de vraag of de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant betekent dat bij de OPA voor een aanlegactiviteit aan ETFAL moet worden getoetst (vanwege de toepasselijkheid van artikel 22.281 van de bruidsschat). De rechtbank overweegt namelijk dat in het bestreden besluit niet kenbaar is gemotiveerd dat de terreinverharding geen onevenredige afbreuk doet aan het landschapselement. Evenmin is kenbaar gemotiveerd dat de werkzaamheden ten behoeve van de wadi geen onevenredige afbreuk doen aan de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, het landschapselement ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ en de hydrologische eigenschappen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. Het lijkt er op dat de rechtbank vooral kritisch is op het feit dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd of aan deze beoordelingsregels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan is voldaan en niet zozeer dat geen bredere toetsing aan het ETFAL-criterium is verricht (los van de beoordelingsregels uit het omgevingsplan).