Uit de Afdelingsuitspraak van 18 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1531) volgt dat de hondenbezitter aan wie - naar achteraf blijkt - ten onrechte een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, geen aanspraak heeft op teruggave van het eerder, wegens overtreding van dat verbod, opgelegde betaalde boetebedrag. Hoewel de burgemeester het opgelegde aanlijn- en muilkorfgebod gedurende de hoger beroepstermijn had ingetrokken, heeft de eigenaar van de hond volgens de Afdeling vanwege diens gestelde schade als gevolg van de sanctie nog steeds voldoende procesbelang bij een oordeel over het ingestelde hoger beroep.

Ten aanzien van het aanlijn- en muilkorfgebod overweegt de Afdeling dat een bestuursorgaan, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Volgens de Afdeling heeft de eigenaar voldoende twijfel gezaaid over de bevindingen uit het proces-verbaal en heeft de burgemeester, door daar onvoldoende tegenover te stellen, ten onrechte aannemelijk geacht dat diens hond een tweede bijtincident heeft veroorzaakt. De Afdeling concludeert dat de burgemeester, achteraf bezien, het aanlijn- en muilkorfgebod niet had mogen opleggen. Dit betekent volgens de Afdeling echter niet dat de eigenaar het bedrag van de eerder opgelegde geldboete wegens het overtreden van het aanlijn- en muilkorfgebod terugkrijgt: naar het oordeel van de Afdeling kan tussen de onrechtmatige oplegging van het aanlijn- en muilkorfgebod en de opgelegde boete niet een zodanig verband worden aangenomen, dat die boete de burgemeester, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van die oplegging kan worden toegerekend. De boete houdt volgens de Afdeling namelijk direct verband met de omstandigheid dat de eigenaar het op dat moment (nog) geldende aanlijn- en muilkorfgebod heeft overtreden. Dat de eigenaar van begin af aan van mening was dat het gebod ten onrechte was opgelegd, laat het voorgaande naar het oordeel van de Afdeling onverlet (vgl. de Afdelingsuitspraak van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2471).