De civiele kamer van de Rechtbank Den Haag heeft op 28 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:1344) in de bodemprocedure van Greenpeace tegen de Staat der Nederlanden geoordeeld dat de Staat onvoldoende doet om de inwoners van Bonaire te beschermen tegen klimaatverandering en de gevolgen daarvan. Volgens de rechtbank voldoet de Nederlandse regelgeving op het gebied van het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen op belangrijke punten niet aan de minimumnormen die in VN-verband zijn overeengekomen.

Ook heeft de Staat onvoldoende invulling gegeven aan zijn zorgplicht tegenover de inwoners van Bonaire en heeft de Staat de inwoners van Bonaire ten onrechte anders behandeld dan de inwoners van Europees Nederland. Daarmee handelt de Staat in strijd met de artt. 8 en 14 EVRM en art. 1 van het 12e Protocol EVRM., hetgeen onrechtmatig is jegens de inwoners van Bonaire. De rechtbank heeft de Staat daarom de opdracht gegeven om binnen 18 maanden bindende en in regelgeving vast te leggen doelen op te stellen voor de gehele economie om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, zoals bedoeld is in het Akkoord van Parijs. Ook moet de Staat een adaptieplan opstellen voor Bonaire dat in 2030 kan worden ingevoerd.