In zijn uitspraak van 11 februari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:2175) oordeelt de civiele kamer van de Rechtbank Den Haag dat de Nederlandse Staat zich voldoende inspant om de verspreiding van PFAS in het milieu aan te pakken. Aanleiding voor dit oordeel was een collectieve actie (in de zin van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie, WAMCA) van enkele stichtingen en milieuverenigingen tegen de Nederlandse Staat met als inzet om, kort gezegd, (i) voor recht te verklaren dat de Nederlandse aanpak van de PFAS-problematiek - het verminderen van emissies en de verwijdering van PFAS uit het milieu - tekortschiet en (ii) de Staat gericht te bevelen om aanvullende inspanningen op dit terrein te leveren.

De rechtbank stelt vast dat PFAS een groep chemische stoffen zijn die sinds de jaren '60 wordt gebruikt in een zeer breed scala aan toepassingen (zoals regenkleding, cosmetica, kookgerei en medicijnen), maar slecht afbreekbaar is en - eenmaal in het milieu terechtgekomen - via het (grond)water en de lucht verder verspreid raakt. In de afgelopen decennia is bovendien steeds meer bekend geworden over de risico’s van PFAS voor de gezondheid van mensen en dieren. Naar het oordeel van de rechtbank is de Nederlandse PFAS-aanpak, mede in het licht van de beschikbare kennis over het onderwerp, op dit moment toereikend. De Staat heeft, na afweging van alle relevante maatschappelijke belangen, ervoor heeft gekozen zich in eerste instantie te richten op het zoveel mogelijk voorkomen dan wel beperken dat PFAS in het milieu terechtkomen. Verder geeft de Staat er prioriteit aan om zijn middelen aan te wenden om zich - mede gelet op de grensoverschrijdende verspreiding van PFAS, de Europese interne markt en de geharmoniseerde stoffenwetgeving - in te zetten voor een zo breed mogelijk Europees gebruiksverbod. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de Staat daarmee zijn vrijheid bij het kiezen van maatregelen overschrijdt. Gelet op hun onderlinge taakverdeling is het niet aan de rechter om de wetgever een bevel te geven om wetgeving met een bepaalde inhoud tot stand te brengen (vgl. het Urgenda-arrest van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006, waarin de Hoge Raad het in dit verband toe te passen beoordelingskader heeft geformuleerd).