Een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 3 april 2026 illustreert dat de schaarste op het elektriciteitsnet ook gevolgen heeft voor besluitvormingsprocedures in het fysieke domein. De zaak ging over de realisatie van een zonnepark in de gemeente Zwijndrecht. Er werd beroep tegen de verleende omgevingsvergunning ingesteld omdat geen sprake zou zijn van een evenwichtige functietoedeling. Onderdeel van dat betoog was dat het plan niet uitvoerbaar zou zijn vanwege netcongestie en een overbelast elektriciteitsnetwerk.

Twee zaken die het signaleren waard zijn.
- Allereerst gaat de rechtbank niet mee in het betoog van het college van B&W dat het relativiteitsvereiste aan inhoudelijke behandeling in de weg zou staan. Netcongestie raakt niet alleen aan de uitvoerbaarheid van het zonnepark zelf, maar ook aan de gebruiksmogelijkheden van appellanten zelf. Zeker als het park er zou komen maar de congestie daarna nog verder zou toenemen. Daarnaast is uitvoerbaarheid van een project ook in het belang van omwonenden, bijvoorbeeld om te voorkomen dat zij eindigen met een half-afgebouwd zonnepark naast hun perceel.
- De rechtbank betrekt de onder de Wro ontwikkelde rechtspraak over uitvoerbaarheid. Van belang is dat de omgevingsvergunning niet had kunnen worden verleend als redelijkerwijs had moeten worden ingezien dat het project niet uitvoerbaar is. Dat is echter lastig aantoonbaar bij netcongestie. Weliswaar is de wachtrij in veel gebieden lang, als de netbeheerder een wettelijke aansluitplicht heeft en ook verklaard heeft dat er nog ruimte is om aan te sluiten zal een betoog dat een project niet uitvoerbaar is meestal weinig kans van slagen hebben.
Interessant is dat bij dit soort beroepsgronden primair de gevolgen van het volle elektriciteitsnet voor het project zelf centraal staan. Van een bredere belangenafweging, bijvoorbeeld welke gevolgen de realisatie van een zonnepark heeft voor netcongestie en de omliggende ontwikkelmogelijkheden (en wat daarin maatschappelijk en ruimtelijk gezien wenselijk is), is nog geen sprake. De on-uitvoerbaarheidstoets is daar eigenlijk ook niet echt voor geschikt. De bredere ETFAL-beoordeling wellicht wel, maar dat zal toekomstige rechtspraak moeten uitwijzen.