Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Nieuwbouw school kan van start na herstel motivering

Deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 6 januari 2026 draait om de bouw van een nieuwe basisschool met gymzaal. Opvallend: het bestemmingsplan dat deze bouw mogelijk maakte was op 12 mei 2025 door de voorzieningenrechter geschorst (ECLI:NL:RVS:2025:2119), maar de raad van Ede had een verzoek ingediend tot opheffing van deze schorsing op grond van artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht. Met succes: de voorzieningenrechter oordeelt dat de raad het eerder geconstateerde motiveringsgebrek heeft opgelost en heft de eerder getroffen voorlopige voorziening op.

14 January 2026

Samenvattingen

Wat partijen (de raad en de school enerzijds en een milieuorganisatie en – kennelijk – omwonenden anderzijds) verdeeld hield, was de vraag of een in 2015 aan de gemeente Ede verleende Natuurbeschermingswetvergunning ook betrekking had op de bouw van deze school. Als dat het geval was, dan hoefde voor de bouw van deze school op grond van artikel 2.8, tweede lid, van de Wet natuurbescherming geen nieuwe passende beoordeling gemaakt te worden. In de schorsingsuitspraak van 12 mei 2025 oordeelde de voorzieningenrechter dat hij daarvan niet overtuigd was, in het bijzonder niet omdat in de notitie die ten grondslag lag aan de Nbw-vergunning uit 2015 niets was vermeld over de bouw van een nieuwe school. Wel merkte de voorzieningenrechter op dat de raad om opheffing van de getroffen voorlopige voorziening kon verzoeken als hij een nader onderbouwd standpunt heeft ingenomen waaruit wel volgt dat voldaan is aan artikel 2.8, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.

Dat de raad zijn best heeft gedaan om die motivering rond te krijgen, is logisch met het oog op de 18 december-uitspraken van de Afdeling. Als niet voldaan zou worden aan artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb, dan zou voor de school vermoedelijk een passende beoordeling gemaakt moeten worden. De kans dat dat tot een positief resultaat zou hebben geleid is in het algemeen klein, gelet op de staat van de meeste Natura 2000-gebieden en de gelding van het additionaliteitsvereiste indien men in de passende beoordeling (intern of extern) wil salderen.

De raad heeft nadien een aantal stukken gevonden, waaruit blijkt dat in de passende beoordeling uit 2015 rekening is gehouden met 7.500 monderwijs en opvang ter plaatse van de te bouwen school. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling van 3.400 m2 en past hier dus ruim binnen. Gelet daarop is de voorzieningenrechter ervan overtuigd dat de nieuwe basisschool past binnen de destijds opgestelde stikstofberekeningen. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding de voorlopige voorziening op te heffen, ook omdat over de overige gronden van bezwaar in de uitspraak van 12 mei 2025 al is geoordeeld dat deze geen aanleiding geven om het besluit te schorsen. Die laatste overweging is overigens opmerkelijk, omdat in de uitspraak van 12 mei 2025 geen oordeel is gegeven over deze bezwaargronden maar daarin slechts is overwogen dat ter zitting is afgesproken dat die uitspraak zich zou beperken tot de toetsing aan artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb.

Al met al een interessante uitspraak die weer eens laat zien dat de raad de bodemprocedure niet hoeft af te wachten als hij, na een getroffen voorlopige voorziening, het in die uitspraak geconstateerde gebrek weet te herstellen. Zo hoeft de bodemprocedure niet afgewacht te worden voordat een initiatiefnemer kan starten met zijn bouwplan. De Afdeling overweegt daarbij opnieuw dat voor opheffing van een voorlopige voorziening, in tegenstelling tot het treffen daarvan, geen spoedeisend belang is vereist. Dat volgt uit het feit dat artikel 8:81 Awb niet van overeenkomstige toepassing is verklaard in artikel 8:87 Awb. Een andere benadering zou onzes inziens ook niet goed passen in het wettelijk systeem: het uitgangspunt van de Awb is immers directe inwerkingtreding van besluiten na bekendmaking. Daarop is slechts een uitzondering mogelijk als onverwijlde spoed dat vereist. Het zou dan niet passen om, voor het opheffen van een voorlopige voorziening (en daarmee het terugvallen op het uitgangspunt van directe inwerkingtreding) ook onverwijlde spoed aan de zijde van het bestuursorgaan (of een andere belanghebbende, zoals bijvoorbeeld in casu de school) te eisen.