Inmiddels maken gemeenten volop gebruik van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) uit de Omgevingswet om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Maar hoe verhoudt de BOPA zich tot de onderliggende bestemming uit het bestemmingsplan/omgevingsplan? Twee recente rechtbankuitspraken geven hier meer duidelijkheid over.

In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2025:11638) draait het om een BOPA voor de bouw van elf woningen. Op grond van het omgevingsplan hebben de desbetreffende gronden een horecabestemming. Omdat de horecabestemming met de BOPA niet verdwijnt, had het college volgens de verzoekers het omgevingsplan moeten wijzigen.
Nieuwe functie met BOPA of een wijziging van het omgevingsplan
De voorzieningenrechter oordeelt anders. Het college mag volgens de voorzieningenrechter kiezen tussen een BOPA of een wijziging van het omgevingsplan. Voor dit bouwplan komt de BOPA in de plaats van het omgevingsplan. Daardoor ontstaat geen functiemenging: horeca is op deze locatie (volgens de voorzieningenrechter) door de BOPA niet langer toegestaan.
Interessant is dat de voorzieningenrechter hier stelt dat door de BOPA “ter plaatse van dit bouwplan geen horeca is toegestaan en dus ook geen functiemenging zal ontstaan. Een wijziging van het omgevingsplan is dan ook niet nodig.” Maar, in mijn ogen blijft op grond van het bestemmingsplan/omgevingsplan horeca op deze plek toegestaan omdat de BOPA een aanvullende toestemming geeft. Het is wat mij betreft dan ook wat onduidelijk wat de voorzieningenrechter exact met deze opmerking bedoelt.
In de uitspraak van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2025:6233) ligt de situatie anders. Hier ging het om een vergunningsaanvraag voor twee woningen op een perceel waar een woonbestemming met functieaanduiding ‘paardenhouderij’ op ligt. Het college verleende een BOPA, maar volgens de rechtbank is dit in strijd met de geldende beleidsregel.
In tegenstelling tot de rechtbank Limburg stelt de voorzieningenrechter dat als het college ervan uitgaat dat de oorspronkelijke functie (in dit geval: paardenhouderij) stopt, dit dan ook in de BOPA moet worden geborgd. Dat is niet gebeurd. Het gebruik als paardenhouderij is niet (bestuursrechtelijk) uitgesloten, en de functiemenging met de woning leidt niet tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
Waar de rechtbank Limburg weinig belang toekent aan de nog geldende bestemming, stelt de rechtbank Gelderland strikte eisen aan het (moeten) uitsluiten van die bestemming. In de praktijk betekent dit dat gemeenten zich goed moeten realiseren als een onderliggende bestemming niet valt te verenigen met de nieuwe functie. Want die bestemming moet met een vergunningvoorschrift uitgesloten worden. Dat is in ieder geval de meeste veilige route.