De voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde vorige week dat het achterwege laten van een passende beoordeling bij de wijziging van voorschriften bij een natuurtoestemming niet zonder meer mogelijk is. Dit is een van de eerste uitspraken over dergelijke wijzigingen onder de Omgevingswet.

Wat speelde er?
Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland (GS) hebben een natuurtoestemming voor het vangen en doden van brandgans in Natura 2000-gebieden gewijzigd. GS hebben gesteld dat geen (aanvullende) passende beoordeling is vereist voor de wijziging van de natuurtoestemming, omdat sprake is van een niet-substantiële wijziging. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat GS hebben bedoeld te stellen dat geen passende beoordeling is vereist op grond van artikel 16.53c, tweede lid, onder a, van de Ow. In die bepaling staat dat geen passende beoordeling hoeft te worden gemaakt als het project een herhaling of voortzetting is van een ander project. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van voor de Omgevingswet blijkt dat een (aanvullende) passende beoordeling op grond van die bepaling achterwege kan blijven als een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van de aldus vergunde projecten. Er moet sprake zijn van een één-op-één-inpassing. De voorzieningenrechter trekt deze rechtspraak door naar onder de Omgevingswet en is van oordeel dat GS in dit geval redelijkerwijs geen beroep kunnen doen op die bepaling, omdat sprake is van een activiteit die niet of niet volledig bij de eerdere passende beoordeling is betrokken. De voorzieningenrechter overweegt dat Econsultancy er in de eerdere passende beoordeling vanuit is gegaan dat de activiteiten buiten de verstoringsafstanden plaats zouden vinden. Volgens Econsultancy kunnen na wijziging van de natuurtoestemming juist binnen die verstoringsafstanden significante gevolgen plaatsvinden voor de broedvogels. Onder die omstandigheden kan een (aanvullende) passende beoordeling redelijkerwijs wel nieuwe gegevens en inzichten opleveren omtrent de significante gevolgen van de wijziging.
Kortom: bij wijziging van voorschriften van een natuurtoestemming kan ook onder de Omgevingswet niet snel worden volstaan met de opmerking dat die wijzigingen “niet substantieel” zijn. Waar de wijziging ruimte creëert voor activiteiten die niet één-op-één in de eerdere passende beoordeling passen, ligt een nieuwe of aanvullende passende beoordeling voor de hand.
Door Klaas Valkering