Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2909. Eiser heeft als beroepsgrond aangevoerd dat het college ten onrechte de ruimtelijke gevolgen voor de omwonenden niet heeft meegewogen en dat een belangenafweging ontbreekt. Het college erkent dat de ETFAL niet is beoordeeld en stelt dat hij dat ook niet mocht doen.

De rechtbank stelt vast dat het college een omgevingsvergunning heeft verleend voor een omgevingsplanactiviteit op grond van art. 5.1, lid 1, onder a van de Ow in samenhang met art. 22.26 van het Omgevingsplan. Het beoordelingskader voor de OPA Bouw staat in art. 22.29 van het Omgevingsplan. Deze bepaling kent een limitatief-imperatief stelsel.
Dit betekent dat het college alleen beoordeelt of sprake is van één van de in dat artikel opgesomde weigeringsgronden. Art. 22.29 van het Omgevingsplan bevat geen weigeringsgrond over het toetsen aan de ETFAL. In zoverre is het standpunt van het college dus juist dat het college niet mag (en dus ook niet hoefde te) toetsen aan de ETFAL bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit zoals bedoeld in art. 5.1, lid 1, onder a Ow in samenhang met art. 22.26 Omgevingsplan. Hetzelfde geldt voor het uitvoeren van een belangenafweging.
De ETFAL wordt op grond van art. 8.0a, lid 2 Bkl wel beoordeeld bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Als de rechtbank tot de conclusie komt dat het bouwplan in strijd is met het Omgevingsplan (weigeringsgrond a van art. 22.29 Omgevingsplan), dan betekent dat ook dat sprake is van een BOPA. In dat geval zal de rb. het bestreden besluit vernietigen en moet het college alsnog de ETFAL beoordelen bij een opnieuw te nemen beslissing op bezwaar.
Eiser voert aan dat het plan niet uitvoerbaar is en dat de omgevingsvergunning daarom moest worden geweigerd. Het college had de omgevingsvergunning moeten weigeren omdat het Waterschap geen watervergunning heeft verleend en deze ook niet zal verlenen omdat het Waterschap bezwaar had gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Ten tweede vindt eiser dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren omdat het rioleringsstelsel op Parc de Kievit onvoldoende capaciteit heeft voor twaalf recreatiewoningen. Ten derde stelt eiser dat het college ten onrechte de financiële haalbaarheid van het bouwplan niet heeft getoetst. Deze gronden kunnen niet leiden tot vernietiging van het besluit vanwege het limitatief-imperatieve stelsel van art. 22.29 Omgevingsplan. Geen van deze aangevoerde aspecten zien op de weigeringsgronden van dit artikel. Voor het al dan niet ontbreken van een omgevingsvergunning van het Waterschap geldt dat hiervoor een aparte procedure geldt. De discussie of die omgevingsvergunning vereist is en kan worden verleend, valt buiten de omvang van dit beroep.