Door de gemeenteraad is het bestemmingsplan Willemspolder, fase 1 vastgesteld. Daarnaast is zowel door het college van burgemeester en wethouders, college van gedeputeerde staten en ten slotte de minister vergunning verleend voor een aantal activiteiten. Dit alles om een zand- en kleiwinningsproject te realiseren in voornoemde polder.

Tegen deze besluiten – gecoördineerd voorbereid met toepassing van de Ontgrondingenwet – is beroep ingesteld door onder meer de Stichting Milieuwerkgroep Midden Betuwe. De Stichting is, de uitspraak zwijgt hierover en wordt dus aangenomen, ontvankelijk in het beroep (zie uitspraak inzake Stichting Varkens in Nood) (ook wel aangeduid als de procedurele ontvankelijkheid). Maar zoals eerder ook in de rechtspraak geoordeeld (zie uitspraak inzake Zandzoom), is het vervolgens nog niet klaar: voor de toepassing van het relativiteitsvereiste is het van belang dat de Stichting naast een statutaire doelstelling ook door “enige” feitelijke werkzaamheden invulling geeft aan de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt (ook wel aangeduid als de materiele ontvankelijkheid). Van die feitelijke werkzaamheden is, aldus de Afdeling, onvoldoende sprake.
AbRvS 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2061