Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten (vergunningplichtige beperkingengebiedactiviteiten, lozingsactiviteiten, stortingsactiviteiten op zee of wateronttrekkingsactiviteiten) gelden de beoordelingsregels uit artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

De doelstellingen uit de Kaderrichtlijn water maken onderdeel uit van die beoordelingsregels. Eén van die doelstellingen betreft het verbod op (tijdelijke) achteruitgang van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, conform de uitleg zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie aan dat verbod heeft gegeven in arresten van 1 juli 2015 (ECLI:EU:C:2015:433 (Wezer-arrest)) en 5 mei 2022 (ECLI:EU:C:2022:350).
Een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 2 december 2025 (ECLI:NL:RBNNE:2025:4979) maakt duidelijk dat het bevoegd gezag er bij vergunningverlening verstandig aan doet om in zijn besluitvorming kenbaar en op inzichtelijke wijze te motiveren hoe de toetsing aan de beoordelingsregels uit artikel 8.84 Bkl heeft plaatsgevonden, daaronder begrepen een motivering op het punt dat en waarom een bepaalde activiteit, in de kwestie die ten grondslag lag aan deze uitspraak het storten van baggerspecie in stortputten, geen (tijdelijke) achteruitgang van de waterkwaliteit teweegbrengt. Dit om te voorkomen dat er een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek aan het besluit tot vergunningverlening kleeft en het besluit door de voorzieningenrechter geschorst wordt of uiteindelijk in de bodemprocedure niet in stand kan blijven.