De Afdeling oordeelt in haar uitspraak van 4 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:629) dat de Omgevingswet (“Ow”) slechts de mogelijkheid biedt om onroerende zaken ter onteigening aan te wijzen en niet om dat te doen voor een afzonderlijk pachtrecht, zodat de rechtbank de onteigeningsbeschikking ten onrechte gedeeltelijk heeft bekrachtigd: namelijk wel voor het te onteigenen pachtrecht en niet voor het onderliggende eigendomsrecht (omdat daarover minnelijke overeenstemming was bereikt).

De Afdeling overweegt dat de Omgevingswet (“Ow”) niet de mogelijkheid kent van afzonderlijke onteigening van beperkte rechten of persoonlijke rechten (zoals huur of pacht). Uit art. 11.1 en 11.3 Ow volgt dat onteigening in alle gevallen ziet op de onroerende zaak als zodanig. Door onteigening van de onroerende zaak verkrijgt de onteigenaar de eigendom vrij van alle lasten en rechten die met betrekking tot de onroerende zaak bestaan (art. 11.18, eerste lid, Ow); vanwege de zogenoemde titelzuiverende werking van de onteigening wordt de onroerende zaak bevrijd van alle lasten en rechten die op deze zaak rusten.
In de situatie dat de onteigenaar overeenstemming heeft bereikt met de eigenaar, maar (zoals in dit geval) de eigenaar de onroerende zaak niet vrij van pacht oplevert en overeenstemming tussen onteigenaar en pachter over beëindiging van het pachtrecht ontbreekt, moet de onroerende zaak volgens de Afdeling ter onteigening worden aangewezen om deze van het pachtrecht te bevrijden. Daarbij moet aan alle door de Omgevingswet daartoe gestelde vereisten worden voldaan. In een dergelijk geval kan bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking die betrekking heeft op de onroerende zaak niet (gedeeltelijk) worden afgewezen op grond van het ontbreken van de noodzaak voor het onteigenen van het eigendomsrecht op die onroerende zaak. De mogelijkheid van gedeeltelijke bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking (art. 16.108, tweede lid, Ow) ziet volgens de Afdeling op een andere situatie dan in dit geval aan de orde.