Uit de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 12 januari 2026 (ECLI:NL:RBOVE:2026:169) volgt dat handhavend optreden in strijd met het geprioriteerde handhavingsbeleid niet getuigt van het voeren van consistent bestuursbeleid en de schijn van willekeur wekt. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over een door het college van burgemeester en wethouders (“college”) opgelegde last onder dwangsom wegens het zonder de vereiste omgevingsvergunning plaatsen van twee airco’s aan de buitenkant van een woning.

De eigenaar van de woning stelt dat het college handelt in strijd met zijn reactionaire handhavingsbeleid waarbij handhaving slechts plaatsvindt naar aanleiding van een handhavingsverzoek (het zogenoemde ‘piepsysteem’). Omdat het college in dit geval is overgegaan tot handhaving op basis van een melding van een medewerker van de eigen gemeente, zou het college handelen in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank stelt voorop dat het gelijkheidsbeginsel een consistent en doordacht bestuursbeleid vergt. Het veronderstelt dat het bestuur welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt ten aanzien van zijn optreden in individuele gelijke gevallen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat is toegestaan dat in het kader van een handhavingsbeleid prioriteiten worden gesteld met het oog op doelmatige handhaving. Zo kan prioritering bepalend zijn voor de mate waarin toezicht wordt gehouden op de naleving van voorschriften. Ook mag prioritering inhouden dat bij bepaalde overtredingen alleen naar aanleiding van een klacht of een verzoek van een belanghebbende wordt beoordeeld of handhavend moet worden opgetreden (vgl. de Afdelingsuitspraken van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1982, 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:849 en 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3256). Tegelijkertijd kan het gelijkheidsbeginsel volgens de rechtbank ook reden vormen om, in afwijking van de beginselplicht tot handhaving, af te zien van handhavend optreden (vgl. de Afdelingsuitspraken van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678 en 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5331). Naar het oordeel van de rechtbank komt in dit geval doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat de melding die aan het besluit tot handhaving vooraf is gegaan, afkomstig is van een medewerker van de gemeente. Die melding heeft immers geleid tot een controle van de toezichthouder en vervolgens tot oplegging van de last onder dwangsom. Die werkwijze acht de rechtbank in strijd met het gevoerde reactionaire handhavingsbeleid en met het uitgangspunt dat een bestuursorgaan zorg heeft te dragen voor een consistent bestuursbeleid. Het beleid van het college dat alleen wordt opgetreden naar aanleiding van handhavingsverzoeken en meldingen, kan niet anders worden uitgelegd dan dat het moet gaan om handhavingsverzoeken of meldingen van (belanghebbende) derden. Door ook actief handhavend op te treden na meldingen van eigen medewerkers heeft het college volgens de rechtbank alsnog zelf in de hand of en wanneer het wel en wanneer het niet tot handhavend optreden overgaat. Dit zou volgens de rechtbank de schijn van willekeur met zich kunnen brengen. Door af te wijken van zijn eigen reactionaire handhavingsbeleid, zonder dat daarvoor een toereikend argument is gegeven, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank geen doordacht consistent handhavingsbeleid gevoerd. Dat is, zo concludeert de rechtbank, in strijd met het gelijkheidsbeginsel.