Eisers voeren aan dat de vlonder en de tent ten onrechte zijn aangemerkt als bouwwerk. Voor de realisatie hiervan is dan ook geen omgevingsvergunning nodig. Bovendien worden de vlonder en de tent gebruikt voor (extensieve) dagrecreatie.

In de bijlage bij de Omgevingswet is het begrip bouwwerk gedefinieerd als constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties.
De vzr. is van oordeel dat de vlonder met daarboven gesitueerde tent als bouwwerk aangemerkt kunnen worden. De tent met vlonder zijn namelijk een constructie van enige omvang die duurzaam met de grond zijn verbonden en bestemd om duurzaam ter plaatse te functioneren, nu eisers hebben bevestigd dat ze de tent en vlonder pas aan het eind van het seizoen verwijderen. Ze zijn dus gedurende langere periode (het voorjaar en zomer) aanwezig.
De tent en vlonder zijn naar het oordeel van de vzr. een bouwwerk en daarmee vergunningplichtig op grond van art. 5.1, lid 1, onder a Omgevingswet in samenhang met artikel 22.26 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Nu niet in geschil is dat eisers geen omgevingsvergunning hebben om dit bouwwerk te bouwen en in stand te houden, is sprake van een overtreding. Of de tent en vlonder ten dienste staan van extensieve dagrecreatie, doet voor de vraag of sprake is van een overtreding van de hiervoor genoemde artikelen niet ter zake.
Eerder zijn er ook al uitspraken gedaan over het begrip 'bouwwerk' onder de Ow: Rechtbank Midden-Nederland 12 februari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:336 (containers), Rechtbank Oost-Brabant 21 maart 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1591 (wintertent), Rb. Den Haag 30 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19651 (strandhuisjes) en Rb. Rotterdam 20 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:12232 (containers).