Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Opslag van overtollig riet ten behoeve van hergebruik binnen de eigen bedrijfsvoering is een vergunningplichtige MBA

In zijn uitspraak van 14 augustus 2025 (ECLI:NL:RBNNE:2025:3352) oordeelt de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland dat het opslaan van riet dat afkomstig is van een gesloopt dak met het oog op hergebruik ervan binnen een veehouderij in dit geval niet zonder omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (“MBA”) mag plaatsvinden.

2 September 2025

Samenvatting

Samenvatting

Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over de door het college aan de veehouder opgelegde last onder dwangsom vanwege het zonder de vereiste omgevingsvergunning opslaan en verwerken van riet. Volgens het college zou de veehouder daarmee art. 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, Ow in samenhang gelezen met de artt. 3.184, eerste lid, en 3.185, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (“Bal”) hebben overtreden. De veehouder heeft verklaard het opgeslagen riet te gebruiken als bodembedekking in de stallen voor de schapen, koeien en kalveren. Ook wordt het riet gebruikt als absorberende laag onder de twee mestopslagen op het perceel. Na gebruik van het riet wordt het samen met mest uitgereden op het weiland. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of in dit geval sprake is van een overtreding. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, die voor de betekenis die de Ow en het Bal geven aan het begrip ‘verwerking van afvalstoffen’ teruggrijpt op art. 1.1 Wet milieubeheer (“Wm”), moet het riet in het onderhavige geval in beginsel worden aangemerkt als een bedrijfsafvalstof: de veehouder betrekt het riet namelijk van een rietdekkersbedrijf dat zich wil ontdoen van overtollig riet dat het zelf verder niet meer kan gebruiken. Omdat volgens de voorzieningenrechter niet op voorhand valt in te zien dat een omgevingsvergunning is vereist voor het opslaan van een afvalstof die vanwege hergebruik bij de veehouder een nuttige toepassing heeft (als bedoeld in art. 1.1, zesde lid, Wm), onderzoekt de voorzieningenrechter of het riet zoals dat ten tijde van de opgelegde last bij de veehouder is aangevoerd en gebruikt binnen diens bedrijfsvoering vanwege die nuttige toepassing de einde-afval status heeft bereikt. Vanwege het sterke vermoeden dat het door het rietdekkersbedrijf geleverde, van gesloopte rietdaken afkomstige riet verontreinigd is met impregneermiddelen en de veehouder er volgens de voorzieningenrechter niet in is geslaagd om aan te tonen dat het op haar perceel opgeslagen riet over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid heeft (zoals bedoeld in art. 1.1., zesde lid, aanhef en onder d, Wm), moet vooralsnog worden aangenomen dat dit niet het geval is. De voorzieningenrechter concludeert dat ten tijde van het opleggen van de last sprake was van een MBA op het perceel in de vorm van het opslaan en verwerken van riet als bedrijfsafvalstoffen. Omdat de veehouder niet beschikte over de daarvoor vereiste omgevingsvergunning, was het college bevoegd hiertegen handhavend op te treden.    

Artikel delen