In een recente uitspraak gaat de rechtbank Overijssel in op de vraag of de verhoging van een grondwateronttrekking van 3 miljoen m³ naar 4 miljoen m³ per jaar moet worden gezien als voortzetting van een bestaand project of als nieuw project. Centraal staat daarbij de invloed van een overeenkomst op de bestaande situatie op de Europese referentiedatum.

Wat speelde er?
Vitens beschikt sinds 1988 over een grondwateronttrekkingsvergunning voor maximaal 4 miljoen m³ water per jaar bij de Archemerberg. Het winningsgebied ligt in Natura 2000-gebied Vecht en Beneden-Regge, dat sinds 7 december 2004 onder het beschermingsregime van artikel 6 Habitatrichtlijn valt.
In 2003 zijn Vitens en de provincie Overijssel overeengekomen dat de winning Archemerberg vanaf 2010 maximaal voor 3 miljoen m³ water per jaar wordt ingezet. In 2021 is deze overeenkomst opgezegd vanwege de groeiende vraag naar drinkwater. Natuurmonumenten verzocht vervolgens om handhaving, omdat Vitens had aangekondigd de grondwateronttrekking te verhogen van 3 miljoen m³ naar 4 miljoen m³ per jaar.
De rechtbank stelt voorop dat volgens het HvJ EU alleen sprake is van voortzetting van één-en-hetzelfde project als tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit, met name gelet op de aard van de activiteiten, de plaats waar en de voorwaarden waaronder zij worden uitgevoerd, continuïteit en identiteit bestaat (vgl. HvJ EU 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864, Aquapri).
De aanleg van een nieuwe transportleiding en reinwaterkelder maakt volgens de rechtbank nog niet dat sprake is van een nieuw project.
Maar de rechtbank komt alsnog tot de conclusie dat sprake is van een nieuw project. Door de overeenkomst uit 2003 heeft de provincie Overijssel het feitelijke gebruik van Vitens juridisch begrensd. Die begrenzing vormde volgens de rechtbank de juridische realiteit op de Europese referentiedatum van 7 december 2004 en moet daarom worden aangemerkt als de op die datum bestaande situatie.
Door die overeenkomst in 2021 op te zeggen en daarmee in te stemmen met verhoging van het juridisch toegestane maximale onttrekkingsdebiet naar 4 miljoen m³ per jaar, kan volgens de rechtbank niet meer worden gezegd dat tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit continuïteit en identiteit bestaat. De voorwaarden waaronder de activiteit plaatsvindt, zijn namelijk gewijzigd.
Kortom: Een overeenkomst kan relevant zijn voor de vraag welke situatie op de Europese referentiedatum als bestaande situatie geldt. Daarmee kan zij ook mee bepalen of nog sprake is van voortzetting van één-en-hetzelfde project.