Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Overgangsrecht OBM/Omgevingswet: is OBM al dan niet uitgewerkt?

De uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant 25 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5870 gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een omgevingsvergunning voor het realiseren van overdekte uitlopen aan de bestaande stallen en het plaatsen van een keermuur bij haar pluimveehouderij aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Daarbij speelt een rol of voor de achtergrondbelasting rekening moet worden gehouden met een OBM (omgevingsvergunning beperkte milieutoets), dan wel deze OBM is uitgewerkt. Daarbij speelt nog de complicatie van het overgangsrecht van de Omgevingswet.

26 September 2025

Samenvatting

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres voldoet niet aan de eis dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in het buitengebied niet hoger mag zijn dan 20%. Bepalend voor de berekening van de achtergrondbelasting is de omvang van de bijdrage van een ander bedrijf aan de [adres] . Daarbij moet worden gerekend met de veebezetting in de omgevingsvergunning beperkte milieutoets van dat bedrijf omdat die vergunning niet is uitgewerkt.

Gelet op artikel 4.13 van de IOw geldt de OBM als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder b van de Ow. Op basis van deze hogere vergunde veebezetting wordt ook de achtergrondbelasting op de woning aan de [adres] hoger berekend. Dat leidt tot een kans op cumulatieve geurhinder van meer dan 20%. Omdat er geen maatregelen worden genomen om de eigen bijdrage aan deze overschrijding te compenseren, kan de aangevraagde vergunning niet worden verleend.

Eiseres betwist dat artikel 4.13 van de IOw van toepassing is omdat zij van mening is dat de OBM is uitgewerkt. Volgens haar is artikel 4.14 van de IOw van toepassing. Op basis van dat artikel geldt voor een activiteit zonder vergunning bij de inwerkingtreding van de Ow alleen een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van twee jaar als voor die activiteit bij inwerkingtreding van de Ow, een omgevingsvergunning is vereist. Omdat er geen dieren meer worden gehouden op de locatie [adres] (en ook niet mogen worden gehouden omdat de natuurvergunning grotendeels is ingetrokken), is er geen sprake van een omgevingsvergunningplicht. En dan is niet de OBM maar de natuurvergunning het uitgangspunt bij de berekening van de achtergrondbelasting van het bedrijf van eiseres.

In het bestreden besluit is de wijziging van het standpunt van het college onderbouwd met een verwijzing naar de wetsgeschiedenis, waaronder de memorie van toelichting (de artikelsgewijze toelichting) op artikel 4.13 van de IOw (Kamerstukken II 2017/18, 34986, nr. 3, p. 467 en 471), waarin is aangegeven dat een OBM als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit wordt aangemerkt: “Als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit wordt in de Omgevingswet ook aangemerkt een deel van de huidige omgevingsvergunning beperkte milieutoets (hierna: OBM). De OBM is een vergunning zonder voorschriften (artikel 5.13a Besluit omgevingsrecht): die voorschriften staan in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 2.2a Besluit omgevingsrecht (Bor) wijst de categorieën activiteiten aan die - in de woorden van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder i, Wabo - «van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving». Voor de zogenaamde OBM-mer geldt dat deze OBM onder de Omgevingswet aangemerkt zal worden als «omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit» met het daarbij behorende toetsingskader". Omdat de OBM er ook na 1 januari 2024 nog is (onder een andere noemer) vormt de OBM het uitgangspunt bij de berekening van de achtergrondbelasting. In het verweerschrift wijst het college in dit verband ook nog op de uitspraak van deze rechtbank van 9 juli 2024 (ECLI:NL:RBOBR:2024:4411) en van de rechtbank Limburg van 14 maart 2025 (ECLI:NL:RBLIM:2025:2409).

In deze zaak is niet in geschil dat het bedrijf van eiseres wordt uitgebreid waardoor het slot op de muur wordt verbroken. Er moet worden voldaan aan artikel 3.3.5, onder e, van de planregels en artikel 2.73, tweede lid, onder d, van de IOV, ofwel de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in het buitengebied mag niet hoger zijn dan 20%. Bepalend voor de berekening van de achtergrondbelasting is de omvang van de bijdrage van het andere bedrijf aan de [adres] . Als wordt gerekend met de veebezetting als vergund in de natuurvergunning, dan wordt voldaan aan artikel 3.3.5, onder e, van de planregels. Als wordt gerekend met de veebezetting in de OBM, dan wordt hieraan niet voldaan. Met andere woorden, vormt de OBM of de natuurvergunning het uitgangspunt bij de berekening van de achtergrondbelasting van het bedrijf van eiseres.

Hoe is het oprichten en in werking hebben van het bedrijf [adres] vergund? Daarvoor gaat de rechtbank terug in de geschiedenis van het bedrijf. In de bijlagen bij de milieucontrole van het bedrijf van 8 februari 2024 die onderdeel uitmaken van de op de zaak betrekking hebbende stukken, wordt het volgende (kort samengevat) vermeld.

  • -Voor het bedrijf is op 31 december 1999 een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend voor het houden van 255 vleeskalveren en 267 vleesvarkens.

  • -Op 26 augustus 2003 is een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend en op 17 mei 2005 een revisievergunning voor het houden van rosévleeskalveren. De vergunde dieraantallen bedragen: 593 (0 tot 6 maanden) en 197 (6 tot 8 maanden) rosévleeskalveren.

  • -Op 8 maart 2018 wordt de vergunning voor de oprichting van stal H voor 322 rosékalveren ingetrokken. Deze stal is nooit gebouwd. Op basis van het resterende deel van de vergunning mogen 468 rosékalveren (tot 8 maanden) worden gehouden.

Tot 1 januari 2013 was voor het in werking hebben van het bedrijf aan de [adres] een omgevingsvergunning (milieu) als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo vereist. Het bedrijf was tot dat moment vergund in de revisievergunning van 17 mei 2005.

Na 1 januari 2013 was geen omgevingsvergunning milieu (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo) meer vereist. In artikel 2.2a, eerste lid, onder i van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is bepaald dat een OBM noodzakelijk is voor het houden van vleeskalveren in deze aantallen omdat voor het oprichten of wijzigen van een installatie voor het fokken en mesten van meer dan 1200 vleesrunderen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. In bijlage I, categorie 8 van het Bor is bepaald dat voor het houden van minder dan 1200 vleesrunderen geen vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, is vereist. Ingevolge artikel X bij het Besluit van 14 september 2012 tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (agrarische activiteiten in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Stb. 2012, 441), verder Besluit) is de revisievergunning van 17 mei 2005 voor het bedrijf aan de [adres] gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, ofwel, een OBM.

De vervolgvraag is of deze OBM kan uitwerken, met andere woorden, of die OBM nog betekenis heeft. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 22 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:465) over de intrekking van een OBM het volgende overwogen naar aanleiding van een standpunt van het (in die zaak) bevoegde gezag dat een OBM is uitgewerkt als de oprichting van de veehouderij al lang geleden heeft plaatsgevonden: “De enkele omstandigheid dat vergunde activiteiten zijn uitgevoerd, sluit intrekking van de desbetreffende vergunning niet uit, mits daarvoor gronden bestaan. Zo kan bijvoorbeeld een vergunning voor het bouwen van bouwwerken ook na voltooiing van die bouwwerken worden ingetrokken (…). In de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4192) wordt naar deze uitspraak verwezen in reactie op een beroepsgrond dat niet extern kan worden gesaldeerd met een OBM omdat die zou zijn uitgewerkt na de oprichting, wijziging of uitbreiding van de inrichting. Intrekking kan leiden tot handhavend optreden tegen het zonder vergunning verrichten van deze activiteiten, aldus de Afdeling.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen gronden voor het oordeel dat de OBM voor het bedrijf aan de [adres] is uitgewerkt of, liever gezegd, dat de OBM geen betekenis meer heeft. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de nota van toelichting bij het Besluit. Hierin staat: “In deze situatie verricht de vergunninghouder de desbetreffende activiteit vanaf de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit zonder vereiste omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. Dit zou betekenen dat voor de desbetreffende activiteit opnieuw een omgevingsvergunning – ditmaal op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo – moet worden aangevraagd. Dit is vanuit een oogpunt van rechtszekerheid voor de vergunninghouder een ongewenste situatie. Voor die activiteit was immers al een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, verleend. Het eerste lid voorziet er daarom in dat de omgevingsvergunning die is verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo en die van kracht en onherroepelijk is geworden vóór de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit, gelijk wordt gesteld met een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, indien deze een activiteit betreft die na die inwerkingtreding is aangewezen als activiteit waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, is vereist. De eventueel aan de op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo verleende omgevingsvergunning verbonden voorschriften voor die activiteit blijven op grond van artikel 6.1, eerste of derde lid, van het Activiteitenbesluit gedurende een daarin bepaalde termijn van toepassing als maatwerkvoorschriften. Benadrukt wordt dat het niet gaat om voorschriften die zijn verbonden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. Op grond van artikel 5.13a van het Bor mogen aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, geen voorschriften worden verbonden.

Het is duidelijk dat de wetgever met het overgangsrecht in artikel X van het Besluit de situatie voor ogen heeft gehad dat een bedrijf met een onherroepelijke milieuvergunning in werking is en activiteiten verricht. Hierbij zaten ook talloze bedrijven die al lang waren opgericht en al beschikten over stallen waarin dieren werden gehouden die al lang waren opgericht. De milieuvergunningen voor deze bedrijven zijn desondanks gelijkgesteld met een OBM. Als een OBM uitgewerkt zou kunnen raken dan wel geen enkele betekenis meer zou hebben omdat de stallen al zijn gebouwd, dan had het overgangsrecht in artikel X van het bestreden besluit geen enkele bestaansreden gehad. Dit is niet anders voor de situatie waarin het bedrijf tijdelijk geen of minder dieren houdt en later weer meer dieren houdt. Voor het opnieuw houden van dieren in een reeds opgerichte stal, is geen OBM nodig als daarvoor al een OBM was verleend (dan wel een milieuvergunning die is gelijkgesteld met een OBM). Dit is alleen anders voor de situatie waarin geen dieren zijn gehouden en de stallen zijn gesloopt. Voor het oprichten van nieuwe stallen om weer vleesrundvee te gaan houden was onder het oude recht een nieuwe OBM vereist ingevolge artikel 2.2.a, vierde lid, onder a1, van het Bor.

Uit het controlerapport blijkt dat het bedrijf leegstaat en de dierplaatsen in stallen D, E en G en een deel van stal A nog wel aanwezig zijn. Er konden dieren worden gehouden zonder dat een nieuwe OBM nodig was. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de Afdeling in de uitspraak van 10 april 20247 heeft geoordeeld dat geen melding is vereist als er minder dieren worden gehouden maar er geen blijvende intentie is om minder dieren te houden.

De van rechtswege ontstane OBM was niet uitgewerkt. De OBM kan worden benut en kon ook worden ingetrokken. De OBM heeft dus nog betekenis. Op grond van artikel 4.13 IOw geldt een oude OBM onder de Ow als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. In dit geval betreft het een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.202 van het Bal. Over deze vergunning beschikt de derde-partij dus nog. Daarom heeft het college de in de OBM vergunde aantallen dieren in beginsel bij de berekening van de achtergrondbelasting kunnen betrekken. In de toelichting op artikel 8.1.10 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet (Stb. 2020, 400, p. 918) ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond dat de OBM is uitgewerkt, slaagt dus niet. De OBM vormt het uitgangspunt bij de berekening van de achtergrondbelasting van het bedrijf van eiseres.

Artikel delen