Rechtbank Gelderland 29 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2934. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet, het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

In dit geval heeft de derde-partij op 28 november 2023 een aanvraag ingediend. Omdat deze aanvraag is ingediend voor 1 januari 2024 en op dat moment de Wabo gold is die wet daarop van toepassing.
Naderhand is echter een (gewijzigde) aanvraag ingediend op 11 oktober 2024. Op dat moment was de Omgevingswet in werking getreden. Het college heeft deze tweede aanvraag beoordeeld naar het recht zoals dat gold ten tijde van de eerste aanvraag van 28 november 2023 (de Wabo), omdat het van mening is dat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn en het moment van indiening van de eerste aanvraag dus bepalend bleef voor het toepasselijk recht.
Wanneer de aanpassingen in de tweede aanvraag echter niet als ondergeschikte wijzigingen kunnen worden aangemerkt, moet die aanvraag als een nieuwe aanvraag worden aangemerkt en is daarop de Omgevingswet van toepassing.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet de vraag of sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard per concreet geval worden beoordeeld in relatie tot het bouwplan. Als de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, moet een nieuwe aanvraag worden ingediend.