Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Overtreding omgevingsplan: was er sprake van een 'headshop' of waren de producten souvenirs? (omdat er amsterdamse symbolen op staan)

De rechtbank Amsterdam deed hierover een uitspraak op 23 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1950. Volgens verweerder is eiseres in overtreding, omdat zij in strijd met artikel 5.1, eerste lid, sub a, van de Omgevingswet heeft gehandeld door zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Op de locatie geldt de bestemming ‘ [locatie] ’. Eiseres neemt het pand in strijd met die bestemming in gebruik als minisupermarkt en headshop. In de winkel zijn grinders, bongs, pijpjes, roller trays, jointtubes, tips, cones, lange vloei en aanstekers met stamper voor het aanstampen van joints en meer aangetroffen.

23 March 2026

Eiseres handelt hiermee in strijd met het omgevingsplan. Eiseres stelt dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 3.1 onder f van het omgevingsplan. Dit, omdat de producten die zij volgens verweerder moet verwijderen kwalificeren als souvenirs. In de toelichting wordt geschreven dat bij souvenirs moet worden gedacht aan producten die zijn voorzien van een opdruk met Amsterdamse symbolen. Tot Amsterdamse symbolen worden volgens de toelichting gerekend: “artikelen die appelleren aan de bekendheid van de stad vanwege de eenvoudige beschikbaarheid van drugs en seks. Een headshop verkoopt onder meer artikelen die zijn gerelateerd aan het roken van cannabis of aan het gebruik van (water)pijpen en verdampers. Verweerder kan zich hierin niet vinden en stelt dat er sprake is van het gebruik van de panden als headshop, nu uit de rapporten van bevindingen blijkt dat er in beide panden producten worden verkocht waarvan voldoende aannemelijk is dat deze gerelateerd zijn aan het roken van cannabis of aan het gebruik van (water)pijpen en verdampers. Dat deze headshopproducten zijn voorzien van een afbeelding van bijvoorbeeld een cannabisblad of drie andreaskruizen, maakt volgens verweerder niet dat deze headshopproducten niet meer als headshopproducten kunnen worden gekwalificeerd.

Dat de definitie van een headshop artikel volgens eiseres te onduidelijk is volgt de rechtbank niet. Uit de hiervoor geciteerde definitie volgt dat het gaat om artikelen die zijn gerelateerd aan het roken van cannabis of aan het gebruik van (water)pijpen en verdampers. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een duidelijke, objectieve definitie. Dat geen sprake is van een limitatieve opsomming doet daar niet aan af. Verweerder heeft navolgbaar toegelicht dat daar bewust niet voor is gekozen. Bij een limitatieve opsomming zou immers het omgevingsplan telkens moeten worden gewijzigd indien er een nieuw headshop product op de markt komt.De omstandigheid dat sommige artikelen volgens eiseres meer dan één toepassing vinden, volgens de toelichting bij het omgevingsplan ook onder de definitie van souvenir vallen en dat deze producten voornamelijk door toeristen worden gekocht, neemt niet weg dat deze artikelen nog steeds gerelateerd zijn aan het gebruik van drugs waarmee ze in elk geval ook als headshopartikelen kwalificeren. Dat de winkels de ruimtelijke uitstraling hebben van een souvenirwinkel, zoals eiseres stelt, maakt dit ook niet anders.

UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN

Volgens verweerder is eiseres in overtreding, omdat zij in strijd met artikel 5.1, eerste lid, sub a, van de Omgevingswet heeft gehandeld door zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Op de locaties van de winkels van eiseres was voor 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ (het bestemmingsplan) van kracht, aangevuld met het parapluplan ‘ [parapluplan] ’ (het parapluplan). Op de locatie geldt de bestemming ‘ [locatie] ’. Eiseres neemt het pand in strijd met die bestemming in gebruik als minisupermarkt en headshop. In de winkel zijn grinders, bongs, pijpjes, roller trays, jointtubes, tips, cones, lange vloei en aanstekers met stamper voor het aanstampen van joints en meer aangetroffen. Verder zijn verzorgingsproducten aangetroffen, namelijk verschillende flessen drinken, tandenborstels, scheermesjes, haarverzorgingsproducten en meer. Eiseres handelt hiermee in strijd met het omgevingsplan.

Eiseres stelt dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 3.1 onder f van het omgevingsplan. Dit, omdat de producten die zij volgens verweerder moet verwijderen kwalificeren als souvenirs. Volgens eiseres gaat verweerder ten onrechte voorbij aan de definitie van souvenirs in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en de de toelichting daarop. In de toelichting wordt geschreven dat bij souvenirs moet worden gedacht aan producten die zijn voorzien van een opdruk met Amsterdamse symbolen. Tot Amsterdamse symbolen worden volgens de toelichting gerekend: “artikelen die appelleren aan de bekendheid van de stad vanwege de eenvoudige beschikbaarheid van drugs en seks. Producten voorzien van afbeeldingen van bijvoorbeeld cannabisblad en artikelen met seksgerelateerde vormen en afbeeldingen kwalificeren daarom eveneens als souvenirs.” Aangezien de producten van eiseres zijn voorzien van dergelijke afbeeldingen, voldoen deze aan deze definitie. Bovendien worden de betreffende artikelen ook daadwerkelijk als souvenirs verkocht aan toeristen. Dit, mede vanwege de locatie en de uitstraling van de winkels. Drugsgebruikers kopen hun middelen elders, nu de producten in de winkels van eiseres duurder en van mindere kwaliteit zijn dan bij headshops. Verder is het te onduidelijk welke artikelen er wel en niet kwalificeren als headshopartikelen en mag die onduidelijkheid niet voor risico van eiseres komen.

Verweerder kan zich hierin niet vinden en stelt dat er sprake is van het gebruik van de panden als headshop, nu uit de rapporten van bevindingen blijkt dat er in beide panden producten worden verkocht waarvan voldoende aannemelijk is dat deze gerelateerd zijn aan het roken van cannabis of aan het gebruik van (water)pijpen en verdampers. Dat deze producten wellicht meer dan één toepassing vinden, sluit niet uit dat deze als headshopartikelen zijn aan te merken. Dat deze headshopproducten zijn voorzien van een afbeelding van bijvoorbeeld een cannabisblad of drie andreaskruizen, maakt volgens verweerder niet dat deze headshopproducten niet meer als headshopproducten kunnen worden gekwalificeerd.

De rechtbank stelt vast dat voor beide panden het gebruik als headshop, niet is toegestaan. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

Volgens artikel 1.35 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan " [parapluplan] '' is een headshop “een detailhandelsvestiging waarin de hoofdactiviteit of één van de activiteiten wordt gevormd door de handel in artikelen voor het gebruiken van drugs, maar waar geen psychoactieve stoffen worden verkocht.” Een headshop verkoopt dus onder meer artikelen die zijn gerelateerd aan het roken van cannabis of aan het gebruik van (water)pijpen en verdampers.

Tijdens de controles op 18 april 2024, 13 augustus 2024 en 4 november 2024 is vastgesteld dat in beide panden artikelen worden verkocht voor het gebruiken van drugs, namelijk grinders, bongs, pijpjes, roller trays, jointtubes, tips, cones, lange vloei en aanstekers met stamper. Hiermee staat volgens de rechtbank vast dat één van de activiteiten in de winkels werd gevormd door de handel in artikelen voor het gebruiken van drugs, zodat de winkels volgens de begripsomschrijvingen van het omgevingsplan als headshop moeten worden aangemerkt.

Dat de definitie van een headshop artikel volgens eiseres te onduidelijk is volgt de rechtbank niet. Uit de hiervoor geciteerde definitie volgt dat het gaat om artikelen die zijn gerelateerd aan het roken van cannabis of aan het gebruik van (water)pijpen en verdampers. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een duidelijke, objectieve definitie. Dat geen sprake is van een limitatieve opsomming doet daar niet aan af. Verweerder heeft navolgbaar toegelicht dat daar bewust niet voor is gekozen. Bij een limitatieve opsomming zou immers het omgevingsplan telkens moeten worden gewijzigd indien er een nieuw headshop product op de markt komt.

De omstandigheid dat sommige artikelen volgens eiseres meer dan één toepassing vinden, volgens de toelichting bij het omgevingsplan ook onder de definitie van souvenir vallen en dat deze producten voornamelijk door toeristen worden gekocht, neemt niet weg dat deze artikelen nog steeds gerelateerd zijn aan het gebruik van drugs waarmee ze in elk geval ook als headshopartikelen kwalificeren. Dat de winkels de ruimtelijke uitstraling hebben van een souvenirwinkel, zoals eiseres stelt, maakt dit ook niet anders. Uit de definitie blijkt namelijk dat de enkele verkoop van een headshopartikel al voldoende is om als headshop aangemerkt te worden.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat sprake is van het gebruik als headshop, wat in strijd is met het omgevingsplan. Omdat sprake is van overtredingen van het omgevingsplan was het college bevoegd, en in beginsel gehouden, daartegen handhavend op te treden.

Noot Y. Schönfeld

Ook interessant is de rechtsoverweging uit de uitspraak waarbij wordt ingegaan op de keuze om in dit geval handhavend op te treden middels een last onder bestuursdwang in plaats van met toepassing van een last onder dwangsom.

Ten aanzien van de wijze van handhaving, overweegt de rechtbank dat een bestuursorgaan een ruime mate van vrijheid heeft om te kiezen voor een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang (ABRvS 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4142). Uit vaste rechtspraak volgt dat de keuze van het bestuursorgaan voor een last onder bestuursdwang in plaats van een last onder dwangsom, in beginsel niet afzonderlijk hoeft te worden gemotiveerd (ABRvS 5 augustus 2009, ECLI:NL:2009:BJ4622). Verweerder heeft op de zitting bovendien toegelicht dat het handhaven van dergelijke overtredingen van het onderhavige omgevingsplan gezien de ruimtelijke impact van die overtredingen, een hoge prioriteit heeft en bestuursdwang effectiever is. De rechtbank kan dit volgen.

Artikel delen