De bekende discussie bij gebiedsontwikkeling: hebben we wel genoeg parkeerplaatsen? In de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2026:2502) van 22 april 2026 werd de strijd gevoerd om welgeteld... één parkeerplaats. Maar achter die ene parkeerplek schuilt een fundamentele vraag die elke projectontwikkelaar en gemeentebeambte moet kennen: kijk je naar wat er planologisch mag, of naar wat er feitelijk gebeurt bij de bepaling van de parkeernorm?

De kern van de zaak:
In Vught ontstond discussie over een project. De gemeente rekende met 13 parkeerplaatsen, omwonenden eisten er 14. Waarom? Omdat de omwonenden vonden dat je moet kijken naar de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan. De gemeente keek echter naar het feitelijk gebruik (arbeidsextensief) op basis van het Handelsregister en eigen tellingen.
Wat zegt de rechter?
De rechtbank kiest voor de realiteit boven de papieren werkelijkheid.
1) Feitelijk gebruik is leidend. Als het parkeerbeleid niet expliciet voorschrijft hoe je de gebruiksfunctie bepaalt, mag je uitgaan van hoe een pand echt wordt gebruikt. Dat doet volgens de rechter het meeste recht aan de bedoeling: parkeerbehoefte op eigen terrein oplossen zonder onnodige leegstand van asfalt.
2) CROW-normen zijn geen suggestie. De gemeente ging de mist in met de afmetingen (5,00m in plaats van de CROW-norm van 5,13m). De rechter dwingt hier tot nauwkeurigheid. Details doen er toe!
3) ‘Krap’ is niet hetzelfde als ‘onbereikbaar’. Hoewel de parkeersituatie volgens een verkeersonderzoek "krap" zou worden, oordeelde de rechter dat de gemeente beoordelingsruimte heeft. Zolang een plek bereikbaar is, telt hij mee.
Wat kunnen we hiervan leren?
Voor de praktijk is dit een belangrijke opsteker. Het voorkomt dat projecten vastlopen op theoretische maximale scenario's die in de praktijk nooit zullen voorkomen. Maar: zorg dat je parkeeronderzoek en je meetlint (CROW!) op orde zijn.