Ter uitvoering van een tussenuitspraak heeft het college aan [appellant] een persoonsgebonden omgevingsvergunning verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een appartement/kantoor als bedrijfswoning.

[appellant] betoogt dat het college een zaaksgebonden omgevingsvergunning voor een bedrijfswoning had moeten verlenen.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
Anders dan [appellant] betoogt, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd waarom een zaaksgebonden omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een appartement/kantoor als bedrijfswoning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Het college heeft toegelicht dat het college het toevoegen van een bedrijfswoning op de betreffende locatie onwenselijk acht, omdat een bedrijfswoning, net als een reguliere woning, zorgt voor verkleuring van het bedrijventerrein. Dat wil het college voorkomen. Het door het college gevoerde beleid is er namelijk op gericht om kleine bedrijfslocaties, zoals het binnenstedelijk bedrijventerrein Rapenland, waar het in deze zaak om gaat, te behouden, te ontwikkelen en te stimuleren. Het toevoegen van een bedrijfswoning is in strijd met dat beleid.
De conclusie is dat het college geen zaaksgebonden omgevingsvergunning hoefde te verlenen, omdat het college een zaaksgebonden omgevingsvergunning in strijd heeft mogen achten met een goede ruimtelijke ordening.
Y. Schönfeld:
Ook onder de Omgevingswet is de hoofdregel dat een omgevingsvergunning zaaksgebonden is (art. 5.37, lid 1 Ow). Een omgevingsvergunning geldt voor degene die de activiteit verricht waarop zij betrekking heeft. Diegene is vergunninghouder en draagt zorg voor de naleving van de vergunningvoorschriften.
In afwijking van de hoofdregel kan het bevoegd gezag in bepaalde gevallen bepalen dat de omgevingsvergunning persoonsgebonden is (art. 5.37, lid 3 Ow). In afwijking van lid 1 kan het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning bepalen dat deze alleen geldt voor degene aan wie zij is verleend, als de persoon van de vergunninghouder van belang is voor de toepassing van de regels over het verlenen of weigeren van de omgevingsvergunning.