In de rechtspraktijk speelt de vraag of een vergunningplicht voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen 50 meter van een gevoelige functie - waarbij deze alleen kan worden verleend als door de teler aan de hand van een locatiespecifiek onderzoek wordt aangetoond dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd - al dan niet rechtsonzeker is. Dit heeft te maken met het feit dat de rechtspraak tot dusver niet eenduidig is over de vraag welke eisen moeten worden gesteld aan het locatiespecifieke onderzoek.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van vandaag (ECLI:NL:RVS:2026:1723) over een vergelijkbare planregel met betrekking tot het telen van gewassen geoordeeld dat deze niet rechtsonzeker is. De Afdeling haalt eerst de relevante planregel aan:
"In artikel 4.6.3, aanhef en onder b, is bepaald dat met een omgevingsvergunning de afstand van fruitteelt in de vorm van boomgaarden tot gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen kan worden verkleind, mits met behulp van juridisch houdbaar maatwerkonderzoek naar spuitgewasbeschermingsmiddelen is aangetoond dat een verkleining van de afstand verantwoord is."
De Afdeling ziet vervolgens geen aanleiding voor het oordeel dat de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4.6.3, aanhef en onder b rechtsonzeker is. De eis dat maatwerkonderzoek moet worden gedaan is voldoende objectief bepaalbaar en dat geldt ook voor de eis dat een kortere afstand verantwoord moet zijn. Dat dit artikel aan het college beoordelingsruimte laat bij de vraag of fruitbomen op een kortere afstand dan 50 meter mogen worden geplant en welke exacte afstand dat dan mag zijn, maakt de planregel op zichzelf niet rechtsonzeker.